Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 184
I
160 ANTWOORD DR H. COLIJN
ficus maak ik een uitzondering. Hij is de vertegenwoordiger van
onze Universiteit. En ook, aan hetgeen hij gezegd heeft, besteed
ik iets meer aandacht. In de eerste plaats zou ik een opmerking
willen maken, die ik hedenmorgen al gemaakt heb in mijn rede,
dat Directeuren van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op
Gereformeerden grondslag hun eigen verjaardag op 5 December
1928 niet vergeten hebben, maar dat zij toen zoo in moeilijkheden
zaten om te zorgen, dat de Universiteit op haar verjaardag, op
heden, kon voor den dag komen met de nieuwe faculteit, waaraan
het behoud hing van de effectus civilis, dat wij toen geen tijd
hadden om aan onzen eigen verjaardag te denken en alleen in
ons hoofd hadden den verjaardag van de V. U.
Wanneer voorts Prof Kuyper woorden van dank heeft gebracht
aan de Directeuren, dan ga ik dat gedeelte, dat handelt over de
tegenwoordige Directeuren, met stilzwijgen voorbij. En daarvoor
hebben wij een bijzondere reden.
Broeders en zusters. Het werk dat Directeuren verrichten voor
onze V. U., daar vragen zij geen woord van lof en daar vragen
zij geen woord van dank voor. De dank, die Directeuren daarvoor
kunnen verlangen, is door ons volk ten volle betaald.
Wat dat volk heeft gedaan voor onze V. U., is de hoogste be-
looning die het Directorium ooit voor zijn arbeid kon verwachten,
al wil ik met een enkel woord onderstrepen, hetgeen Prof Kuyper
gezegd heeft nopens de Directeuren door hem genoemd, die van
ons zijn heengegaan. In ons college worden die voorgangers, die
in moeilijke tijden het hebben aangedurfd, om met zoo kleine
krachten een Universiteit te gaan stichten in dankbare herinnering
gehouden en dat daarbij één naam in het bijzonder aan de tegen-
woordige Directeuren telkens voor den geest staat, dat behoef ik
wel niet te zeggen. Want wie het voorrecht heeft gehad met
broeder van Eeghen jarenlang in het college van Directeuren
samen te werken, die is diep erkentelijk voor hetgeen die man
heeft gedaan; niet alleen met zijn geld, dat hij ook gaarne ter
beschikking stelde van onze Universiteit, maar bovenal door zijn
zieletoewijding die hij aan dat werk heeft gegeven.
En nu hooggeachte Rector Magnificus. Er was nog een punt in
Uw rede, dat mij aanleiding geeft een enkel woord te zeggen.
Gij hebt gesproken van de zorgen van Directeuren voor het raa-
terieele gedeelte, betreffende de instandhouding van onze Universi-
teit. Natuurlijk, die zorgen moeten er zijn. Zonder die materieele
voorzieningen kon de Universiteit niet bestaan. Zorg voor die
materieele voorzieningen is er af en toe in de kringen van Direc-
teuren ook wel eens geweest. Maar de ervaring heeft ons altijd
geleerd, dat wanneer Directeuren tot ons volk kwamen en de be-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's