Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 40
30 REDE PROF. DR H. H. KUYPER
lycea met eere optreden. En niet minder rijk is de vrucht, die
onze Juridische faculteit afwierp. Van haar leerlingen zijn reeds
vier Minister geweest en we zijn er trotsch op, dat ook onze tegen-
woordige Minister van Onderwijs een discipel is onzer School. In
het hoogste rechtscollege van ons land, de Hooge Raad, wordt de
voorzitterszetel ingenomen door één onzer oud-leerlingen. In onze
Statengeneraal, bij onze rechtbanken, onder onze Commissarissen der
Koningin, onze burgemeesters en wethouders, bij de Departementen
onzer Ministeries nemen onze juristen een eervolle plaats in. Ik
meen, dat van een Universiteit, die op zulk een resultaat van haar
onderwijs u wijzen kan, het bene merita de patria et de ecclesia
zonder overdrijving kan worden gezegd. Over den wetenschappe-
lijken arbeid door onze Hoogleeraren zelf verricht zal ik niet uit-
weiden. Het Gedenkboek, door Directeuren uitgegeven, vermeldt
, u de titels hunner werken en daarheen mag ik u wel verwijzen.
Hoezeer hun verdiensten gewaardeerd werden, bleek wel, waarde
Regeering hen in tal van Staatscommissies benoemde, hen als af-
gevaardigden naar de conferenties te Geneve zond, de Koninklijke
Academie twee hunner als lid benoemde en tal van eervolle onder-
scheidingen hun werden geschonken. De tijd, dat men verachtelijk
van ons Gereformeerde volk als van een Nachtschool sprak, die
moest afgetrapt worden, is voorbij. En het is niet het minst aan
onze Vrije Universiteit te danken, dat we aan dien smaad zijn ont-
komen, en thans een plaats der eere innemen in de publieke opinie.
Onze Vrije Universiteit — laat me daarop in de laatste plaats
u mogen wijzen — trad echter niet alleen op om voor de souve-
reiniteit der wetenschap in eigen kring te pleiten, zelfs niet om
voor ons Gereformeerde volk wetenschappelijk de leiders te vormen,
die het noodig had, maar bovenal, om op het gebied der weten-
schap op te komen voor de souvereiniteit van Christus, den Koning
der wetenschappen, en voor Hem de hulde en eer te vragen, die
een neutrale-humanistische wetenschap Hem onthield. In de rede,
waarmede haar stichter haar opende, werd op dat souverein gezag
van Hem, die gezegd heeft: Mij is gegeven alle macht in hemel
en op aarde, in de eerste plaats gewezen. Het was dezelfde toon,
dien reeds Da Costa had doen beluisteren, toen hij ons zong:
Brengt aan dien Koning op uw knieën,
O Koningen uw heerlijkheid.
Zij voor zijn voetbank, o genieën.
Uw schatting need'rig neergeleid.
Gij wetenschappen en gij kunsten.
Gij krachten, machten, gaven, gunsten.
Door d' adem Gods in ons verwekt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's