Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 134
114 REDE PROF. L. LINDEBOOM
zullen neerslaan, alsof studie in die faculteiten schier noodwendig
leidt tot ongeloof en materialisme, en GODE op die velden de eere
zijns Naams,niet gebracht kan worden.
Worden die zegeningen ons door 'sHeeren hand beschikt, dan
zal het Gereformeerde volk niet achterblijven in daden van trouw.
Ik zal dat volk niet vleien. Waartoe ook? Ik ben den leeftijd der
zeer sterken genaderd, om wellicht spoedig te ervaren, dat ook de
sterkste enkel ijdelheid is. Daarom schroom ik niet hier te ge-
tuigen, dat met de kringen „van dat Volk, van die lui"') bekend
te zijn geworden; mij aan dat volk het meest verwant te voelen;
onder dat volk niet het minst mijne vrienden te tellen, — tot de
grootste voorrechten behoort, die mij geschonken zijn. Mijn trouwe
volk, ik heb u lief. Zegene de Heere u, en door u onze Stichting.
Ik heb gezegd.
Rede van Professor L. lindeboom.
Waarde feestgenooten.
De uitnoodiging aan mij, met mijn hooggeachten voorganger,
op dit heuglijk feest in uw midden op te treden, zal ook wel hierin
haar reden en doel hebben, dat wij behooren tot het bijna heen-
gegaan geslacht, dat getuige is geweest van de geboorte der
Jubilaris van heden, en van wat daaraan vooraf ging en daaraan
op een of andere wijze heeft medegewerkt.
De herinnering van een en ander uit die dagen is dan ook wel
van belang voor de rechte kennis van het rijk geschenk, waar-
mede DE HEERE onze God in de Vrije Universiteit Zijn volk in
Nederland heeft beweldadigd. Zij kan ook voor een recht-christelijke
feestviering bevordelijk zijn.
') T. a. p., 2de serie, dl I, blz. 301. Zie ook blz. 4. E n Parlementaire Studiën en
Schetsen, dl II, blz. 108. GROEN schiep er behagen in, aldus veler laatdunkendheid
te striemen, n a a r het voorbeeld van Koning DAVID tegenover het neerzien van
MicHAL, de dochter SAÜL'S op de lieden, onder wie „de koning" zich „verheerlijkt"
had 1 (2 Sam. 6 : 20).
Zeer treffend is, in gunstigen zin, het getuigenis, dat Het Vaderland, ochtendblad
V. 3 Juli 1921, bevatte omtrent de bewoners van Urk. De Schrijver achtte zelfs
onmogelijk „een tweede dorp van 3000 zielen met zooveel geestelijk gezonde
menschen in Nederland aan te wijzen." Zie mijn Studiën en Schetsen enz., dl XIII, blz. 64.
Ook roemde destijds de Officier van Justitie te Alkmaar tegenover mij het
heldere verstand van de Urkers.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's