Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 124
106 REDE PROF. MR. D. P. D. FABIUS.
Vrij is de Universiteit tegenover den Staat; vrij tegenover elke
Kerk; vrij tegenover alle staatkundige partijen; gebonden alleen
aan hare heerlijke beginselen, waaruit het zelfstandige Nederland
is geboren.
En zij vindt haren steun niet inzonderheid bij de grooten der
wereld, maar bovenal bij de breedere kringen des volks. Oogstte
GROEN VAN PRINSTERER bij hoogeren stand en middenstand, beiden
van christelijken huize, die veelszins waren, zooals hij schreef,
lauw, lam, laf, steeds teleurstelling, — onder de meer eenvoudigen,
de Gereformeerde volkskern, waaraan hij met innige liefde ver-
bonden was, had zijn oog ontdekt eene mate van beginselvastheid,
trouw en toewijding, waarmee machtige dingen waren te bereiken;
ja, een omzetten van het geheele openbare leven naar zijne histo-
rische grondslagen, zoo maar de christelijke bovenlaag minder
ellendig was, en zich harer roeping bewust'). Geldelijke bezwaren
had men dan niet te duchten.
Reeds in 1844 schreef GROEN VAN PRINSTERER aan DA COSTA, dat
diens afwijzing als hoogleeraar aan het Amsterdamsche Athenaeum
gunstige uitwerking kon hebben, „indien wij in Nederland wat
minder traag en slaperig waren; te weten zoo de onmogelijkheid
om op openbare inrigtingen Christelijke beginsels te brengen,
de noodzakelijkheid van eigene inrigtingen deed inzien." ^) En in
1848 sprak hij de mogelijkheid uit, dat inzake hooger onderwijs,
„de onbruikbaarheid der Gouvernements-inrigting en de noodzake-
lijkheid eener eigen instelling voor de Kerk duidelijk" zoude
worden 3). En toen hij, aan het einde zijns levens, met steeds meer
kracht op het ter zijde stellen van de Synodale organisatie aan-
drong, merkte hij ook op, dat financieel overleg daarvan niet be-
hoefde terug te houden. „De Afgescheidenen zijn" — dus schreef
') In 1864 schrijft GROEN VAN PRINSTERER, Aan de Kiezers. No. VII, blz. 15: „Ik
acht dat het Christelijk Protestantisme, zoo het geloof herleeft, ter verkrijging
van Regt voor allen, zelfs tegen allen, sterk genoeg is."
Hierbij zij opgemerkt, dat „Regt voor allen" was eene, vaak van Roomsche zijde
te haren behoeve gebruikte leus. Maar GROEN VAN PRINSTERER wees herhaaldelijk
aan, dat, ender vrijzinnig régime — men denke met name aan de Kerk en h e t
hooger theologisch onderwijs — de Protestanten, nog wel in Nederland, achter-
stonden bij de roomschgezinden, die aldus bevoorrecht waren.
Zoodat in de aangehaalde woorden ligt, dat GROEN VAN PRINSTERER, zonder eenig
voorrecht voor Protestanten te vragen, volkomen genoegen kon nemen met gelyk
recht voor Protestanten en Roomschen, en dat de Protestanten, bij herleven van
van het geloof, krachtig genoeg waren, om dat te verwerven, tegen allen; tegen
vrijzinnigen en Roomschen.
2) Brieven van Mr ISAAC DA COSTA, medegedeeld door Mr GROEN VAN PRINSTERER,
dl. I, blz. 189.
^ Het regt der Hervormde Gezindheid, blz. 176.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's