Vijfenzeventig jaar Vrije Universiteit - pagina 48
Gedenkboek bij het vijfenzeventig-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam
de titel De man der kleine luyden het licht had gezien en waarin men
onder meer kan lezen dat Kuyper het groote gevaar is, Kuyper en
de Calvinistische roofvogel, die daar zweeft en loert boven de velden
van Holland, boven de openbare school, boven de -staatsbetrekkingen,
boven Hoogeschool en Rechtzaal, boven heel ons volksleven.
Nu is men licht geneigd de elementen van waarheid in de beoor-
deling van geestverwanten als partijdige hulde te negeren, maar in de
onbillijke beschrijving van tegenstanders elementen van waarheid te
vermoeden. Daarom is het misschien niet ondienstig beoordelingen
van Kuyper door geestverwanten hier achterwege te laten, omdat de
lezer maar al te zeer geneigd kan zijn die met wat korreltjes zout te
nemen. Een Rooms beoordelaar zal men niet zo licht van vooringe-
nomenheid verdenken. En als die Roomse schrijver bovendien nog
iemand is, die een jarenlange, zeer nauwgezette studie van Kuypers
leven heeft gemaakt, zal men hem toch moeilijk als een waardeloze
getuige terzijde kunnen schuiven. Welnu, deze vat zijn oordeel zo
samen: Zander hem is ons kerkelijk, ons wetenschappelijk leven en onze
staatkundige ontwikkeling onverklaarbaar . . . Hij staat als een toren
in ons landschap; zijn naam en beteekenis verdonkeremanen, zooals
hardnekkig is geschied, moet onrecht heeten. ^oolang krachtige na-
tuyen altijd elk nationale leven zullen beheerschén, zoolang blijven zij
aanspraak maken op den naam nationale figuren. In de galerij van
deze enkele eminenten heeft Abraham Kuyper, in wien de stroo-
mingen van den tijd haar strijdbaren verdediger of onverbiddelijken
bestrijder vormden, zijn uitzonderlijke plaats.
En mocht men een Rooms schrijver nog te veel geestverwant achten
— coalitiegenoot immers — dan kan een liberaal schrijver misschien
meer op prijs gesteld worden. Dan mag hier — bij uitzondering —
een lang citaat volgen van de reeds genoemde journalist D. Hans.
Maar dan uit een geschrift, dat vele jaren later dan zijn felle De man
der kleine luyden verscheen. De schrijver is dan meer gerijpt en hij
glimlacht om de jeugdige overdrijving, waaraan hij zich ten aanzien
van Kuyper — die altijd zijn tegenstander bleef — heeft schuldig
gemaakt. Wel, het boetekleed ontsiert de man niet, al drapeert hij
het misschien wat snaaks. Als hij na vele jaren zijn herinneringen
neerschrijft, vertelt hij, hoe hij eens als jong journalist Kuyper ging
bezoeken: Daar stond ik op den stoep. Kuyper zou mij ontvangen.
Hij kende mij niet. Wij hadden nooit tegenover elkaar gestaan. Ook
schriftelijk nog nooit een woord gewisseld. En toen, wonderlijk, toen
ik de klank van de bel door de vestibule hoorde galmen, schoot mij
44
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Publicaties VU-geschiedenis | 238 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Publicaties VU-geschiedenis | 238 Pagina's