De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 212
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
faculteit der letteren aan de KHT, die bevoegd is tot het verlenen van graden
met effectus civilis, een wetswijziging nodig.'''
De vraag kan rijzen of nieuwe studierichtingen en faculteiten, die voldoen
aan de in de wet WO en het Academisch Statuut gestelde voorwaarden, door
de aangewezen en bekostigde bijzondere instelhngen ten laste van de rijksbij-
drage mogen worden gebracht. De praktijk is, dat de bijzondere instelhngen
niet dan na expliciet verkregen goedkeuring van de overheid tot de oprich-
ting van nieuwe studierichtingen of faculteiten plegen over te gaan. Toch valt
geen wetsartikel aan te geven, dat de bijzondere instellingen tot het aan-
vragen van een dergelijke exphciete goedkeuring verphcht. Integendeel, de
bijzondere instelhngen kunnen zich voor het instellen van deze nieuwe
studierichtingen en faculteiten rechtstreeks beroepen op de regehng van
art. 96 ter.«"
Besluiten van erkende bijzondere universiteiten en hogescholen tot instel-
ling van andere dan in het Academisch Statuut geregelde studierichtingen be-
hoeven de goedkeuring van de minister, tenzij het de instelhng betreft van
studierichtingen, die naar het oordeel van de betrokken bijzondere instelling
niet voor regehng in het Academisch Statuut in aanmerking komen. ^' De be-
tekenis van deze bepaling, het zogenaamde experimenteerartikel is, dat daar-
mede aan de bijzondere instellingen in beginsel voüedige vrijheid wordt ge-
geven tot het instellen van elke gewenste studierichting, maar dat daaren-
boven de mogelijkheid wordt geopend om dergelijke studierichtingen na ver-
kregen goedkeuring van de minister ten laste van de rijksbijdrage te brengen.
Wanneer een studierichting, waarop de goedkeuring is verkregen, niet binnen
tien jaar of in sommige gevallen vijftien jaar na die goedkeuring in het
Academisch Statuut is opgenomen dan verliest volgens de wet WO^^ de be-
trokken instelling het recht deze studierichting te handhaven. Wel hebben de
bijzondere instellingen alsdan het recht om deze studierichtingen buiten be-
zwaar van 's Rijks schatkist te handhaven. De openbare instellingen mogen
dergelijke studierichtingen eveneens in stand houden, maar uitsluitend buiten
de in de wet WO genoemde faculteiten.*^
IV.3.3. Onderwijsmonopolies
Binnen het wetenschappelijk onderwijs komen verschillende monopolies
voor. Nederland kent bijvoorbeeld geen bijzonder hoger technisch of hoger
landbouwonderwijs, ook kent geen van de bestaande bijzondere universi-
teiten een faculteit der diergeneeskunde; daarentegen komen openbare eco-
nomische hogescholen niet voor — al kent de enige economische hogeschool
in Nederland geen studierichtingen, die niet aan één der openbare universitei-
ten aanwezig zijn — en kent alleen de VU een interfaculteit voor lichamelijke
opvoeding. Geen van de genoemde onderwijsmonopolies wordt als zodanig
79. Art. 20 Ud 1 wet WO.
80. Zie par. IV.3.3. ">.
81. Art. 20 leden 1-3 wet WO.
82. Art. 20 Ud 4 wet WO.
83. Art. 21 wet WO.
200
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's