De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 209
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
docent dient te functioneren, en schept daarmee tevens een aantal randvoor-
waarden, die de vrijheid van de docent beperken of kunnen beperken. Wij
raken hier aan het vraagstuk van de derdenwerking van de grondrechten; de
vraag of de grondrechten, die in de eerste plaats zijn bedoeld om de ver-
houding tussen de overheid en de al dan niet individuele personen binnen het
staatsverband te reguleren, 'tevens rechtstreekse werking dienen te hebben in
het rechtsverkeer tussen de burgers onderling en derhalve door de rechter
rechtstreeks kunnen worden getoetst op privaatrechtelijke verhoudingen'.*^
De staatscommissie Cals/Donner heeft de merkbaar groeiende belangstel-
ling voor het vraagstuk van de derdenwerking gesignaleerd.*^ Zelf meent deze
commissie, dat de grondrechten in opzet en formuleringen georiënteerd zijn
op de verhouding overheid-burger; zij meent, dat de derdenwerking dient te
worden afgewezen en dat de formulering van de rechten te dezer zake geen
misverstanden mag oproepen. In het Mensendieck-arrest** is de rechter tot
een iets ander oordeel gekomen. Weliswaar is toen uitgesproken, 'dat dit
grondwetsartikel, waarin de vrijheid tot het geven van onderwijs is verankerd,
niet in de weg staat aan een overeenkomst waarbij de ene partij zich tegen-
over haar wederpartij verbindt om onder bepaalde omstandigheden van het
recht tot het geven van onderwijs geen gebruik te maken', maar uit de formu-
lering van dit arrest valt wel af te leiden, dat de Hoge Raad van oordeel is,
dat ook een dergelijke overeenkomst de vrijheid tot het geven van onderwijs
niet zover mag beperken, dat dit in strijd komt met de 'openbare orde en de
goede zeden'. Daaruit valt af te leiden, dat de rechter aan de grondrechten
een, zij het zeer zwakke derdenwerking toekent.*''
Dit alles wettigt de conclusie, dat het in de regel de stichter/beheerder van
een bijzondere school of instelhng van onderwijs is, aan wie de vrijheid van
onderwijs toekomt. In de privaatrechtelijke verhouding tussen de stichter/
beheerder en de individuele docenten speelt de vrijheid' van onderwijs als
grondrecht in beginsel geen rol.
64. Aldus het tweede rapport van de staatscommissie Cals/Donner, blz. 42.
65. Zie tweede rapport van de staatscommissie, blzz. 42—43; de preadviezen van
A.G. Maris en mr. J.M. Polak voor de NJV, Handelingen NJV 1969 I en II; Burkens,
blz. 12; mr. J. Boesjes: 'De horizontale werking van grondrechten', afgedrukt in NJB
1973, blzz. 905 e.v.; Bijlagen bij de Handelingen II 1975-1976, no. 13872 nr. 3, blzz.
15-16;no. 13932 nr. 3.
66. HR 18 juni 1971, Rechtspraak van de Week, blzz. 295-302. Vgl. HR 31 oktober
1969, NJ 1970, no. 57; in dit arrest werd nog uitgesproken, dat de onderwijsvrijheid geen
derdenwerking heeft.
67. Vgl. art. 25 van het nieuwe 'Entwurf für eine neue Bundesverfassung' voor Zwitser-
land, gepubliceerd in de Neue Zürcher Zeitung dd. 25 februari 1978:
'Wirkung der Grundrechte unter Privaten
1. Gesetzgebung und Rechtssprechung sorgen dafür, dass die Grundrechte sinngemass
auch unter Privaten wirksam werden.
2. Wer Grundrechte ausübt, hat die Grundrechte anderer zu achten. Vor allem darf
niemand Grundrechte durch Missbrauch seiner Machtstellung beeintrachtigen.'
197
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's