De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 38
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
neutraliteit'.'^^ Ministers en kamerleden hebben de door Groen gesignaleerde
consequentie niet aanstonds in 1857 willen aanvaarden.'^' Op den duur
bleek de neutraliteit van het openbaar lager onderwijs echter onontkoom-
baar.'^ 'Niet altijd had dit woord denzelfden inhoud. Sommigen wilden de
neutraliteit opvatten in absoluten, anderen in relatieven zin. (. . .) Deze
tweeërlei opvatting veroorzaakte wel eens moeilijkheden. Zoo was het be-
zwaarlijk de absolute neutraliteit toe te passen in orthodoxe streken, zooals
b.v. de Veluwe. De bevolking was van zulk onderv^djs niet gediend en de
openbare school had daar tot 1857 toe steeds een Christelijk karakter behou-
den. En dat wilde men zoo laten voortduren. Andersdenkenden waren er zoo
goed als niet, zoodat er weinig gevaar bestond, dat men iemand in zijn
godsdienstige gevoelens zou krenken'.'^^
De door de wetgever aan het begrip 'eerbiediging van ieders godsdienstige
begrippen' gegeven interpretatie maakte de weg vrij voor een snelle ontwik-
keling van het bijzonder lager onderwijs.'*^ Die ontwikkeling was nodig,
omdat de overheid thans als gevolg van de stricte neutraliteit van het open-
baar lager onderwijs in het geheel niet meer kon voldoen aan de onderwijs-
kundige behoeften van de afzonderlijke gezindten. Volstaan wij op dit ogen-
blik met de conclusie, dat het begrip neutraliteit ten aanzien van het onder-
wijs naar zijn oorsprong uitsluitend betrekking heeft gehad op het ontbreken
van religieuze invloeden in het openbaar onderwijs. Daarnaast heeft het be-
grip geleidelijk een zelfde betekenis gekregen ten aanzien van andere, niet-
religieuze levensbeschouwelijke opvattingen.'^'' Tegenwoordig gaan wel stem-
men op om de stricte neutraliteit van het openbaar onderwijs te laten varen
en te vervangen door een minder absolute neutraliteit.'^^
182. Zie Francken/Van der Kloes, blz. 476.
183. Thorbecke betoogde: 'Ik heb van Christendom boven geloofsverdeeldheid ge-
waagd'; Francken/Van der Kloes, blz. 485.
184. Mr. A. de Pinto: 'De openbare school en de Bijbelsche geschiedenis', Bijdragen tot
de kennis van het Staats-, Provinciaal- en Gemeentebestuur in Nederland, IV, 1869, blzz.
347—352, concludeerde dat onder de nieuwe wet de Joodse armenscholen niet langer aan-
spraak op subsidie konden maken, tenzij zij van karakter veranderden en volgens art. 3
LO-wet 1857 aan de openbare gelijk werden.
185. Aldus Langedijk, blzz. 67 en 68.
186. Langedijk, blzz. 77 e.v., noemt enige cijfers. In 1857 waren er ca. 52 vrije. Christe-
lijke scholen; in 1864 beüep hun aantal ca. 40 kerkgemeentelijke en 84 niet-kerkgemeen-
telijke scholen.
187. Zo meenden socialistische onderwijzers in Amsterdam in de dertiger jaren, dat het
vrijaf geven van leerUngen op Koninginnedag in strijd was met een stricte neutraliteit van
het openbaar onderwijs.
188. Tijdens een onderwijsdag — 1 aprü 1976 — stelde minister Van Kemenade van
Onderwijs en Wetenschappen: 'Onderwijs is niet neutraal en kan dat ook niet zijn, kan
niet waardenloos zijn'; hij spoorde het openbaar onderwijs aan tot 'actieve pluriformiteit';
zie o.a. Trouw en de Volkskrant d.d. 2 aprü 1976. Eerder pleitte ook de staatscommissie
1910 al voor een relatieve neutraliteit van het openbaar ondervwjs; zie dr. F.J.A. Huart:
'Grondwetsherzienmg 1917 en 1922', 1925, blz. 355. VgU par. IV.4.1.
28
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's