De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 183
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
hogescholen'.'*^' Dat er verband zou bestaan tussen de deugdelijkheid''^^ of
de bekostiging van het bijzonder wetenschappelijk onderwijs en de bestuurs-
hervorming werd door de minister zelfs geen ogenblik beweerd; het enig
argument van de overheid was, dat het de overheid niet langer onverschillig
kon zijn wat er aan de bijzondere instellingen voorviel. Zo werd hier de maat-
schappelijk versterkte positie de vrijheid van de bijzondere instellingen nood-
lottig.
Ofschoon 'het voorontwerp op verschillende punten al technisch vast"*^'
hep, zegde de minister niettemin toe de positie van de bijzondere instellingen
nader te zullen overwegen. Van ambtelijke zijde werd voorgesteld in het
wetsontwerp te bepalen: 'Bij de vaststelling van deze regelen''^^ worden de
bepalingen van de wet in acht genomen voor zover de eigen aard zich daar-
tegen niet verzet'.*^^ In de toelichting op het ingediende ontwerp''^'* zou de
minister later erkennen, dat het stelsel van het voorontwerp 'inderdaad on-
voldoende recht zou doen aan de eigen aard van de bijzondere instellingen'
en gaf hij tevens toe, dat op deze wijze aan de bijzondere instellingen zelfs
niet de mogelijkheid zou zijn gelaten om 'tegen enig onderdeel van de ge-
troffen regehng uit hoofde van de eigen aard van de instelling in beroep te
gaan'. Op die grond werd in het wetsontwerp een afzonderlijke titel gewijd
aan de bijzondere universiteiten en hogescholen,'*^^ waarin werd bepaald, dat
zij het bij of krachtens de wet Universitaire Bestuurshervorming 1970 bepaal-
de in acht zouden moeten nemen 'voor zover de eigen aard van de bijzondere
universiteit of hogeschool zich daartegen niet verzet'.'*^*
Al deze buigingen voor de 'eigen aard' van de bijzondere instellingen
konden intussen niet wegnemen, dat de tot dan toe geldende vrijheid van
richting en de daaruit voortvloeiende vrijheid van inrichting van het bestuur
ernstig werd gekortwiekt. De inrichting van het bestuur zou voortaan worden
onderworpen aan het toezicht van de overheid. Met behoud van de mogelijk-
heid van beroep op de kroon zouden in het vervolg afwijkingen van de voor
de openbare instellingen geldende wettelijke regehng op grond van de eigen
aard van de bijzondere instellingen aan de minister ter toetsing moeten
worden voorgelegd.
429. Zie departementaal verslag; vgl. Cohen: 'Sterker nog, Veringa moet gevreesd
hebben, dat hij verantwoordelijk zou kunnen worden voor een Nederlands 'Parijs';' t.a.p.
blz. 105.
430. De stichting Wetenschap en Democratie heeft zelfs met klem van argumenten be-
toogd, dat de WUB de deugdelijkheid van het onderwijs heeft ondergraven; zie ook het
gelijknamig kwartaalschrift.
431. Zie departementaal verslag.
432. Bedoeld werden de regelen inzake de organisatie en het doelmatig beheer van de
financiën; deze regelen worden thans aangeduid als de 'structuurregeling'.
433. Aldus een voorstel van directeur-generaal Piskaar; hij vroeg zich af of een delegatie
van wetgeving mogelijk zou moeten zijn. Vgl. het voorstel in de Nota kanttekeningen.
434. Bijlagen bij de Handelingen II 1969-1970, no. 10.636.
435. Titel III van het ontwerp; deze titel bestond uit één artikel.
436. Aldus art. 42 van het ontwerp.
171
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's