De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 141
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
kostiging leidde enerzijds tot het teruglopen van de bijdragen van particu-
lieren aan het bijzonder hoger onderwijs, welke ontwikkeling nog werd ver-
sterkt door de geldontwaarding in deze periode en de toenemende belasting-
druk,^"* terwijl anderzijds de snelle groei van het hoger onderwijs en de sterk
toegenomen financiële armslag er de instellingen toe brachten verplichtingen
aan te gaan, die op den duur hun draagvermogen te boven gingen. Al in 1952
manifesteerde zich, dat de bijzondere instellingen als gevolg van de subsi-
diëring in een vicieuze cirkel — ruimer financiële armslag, teruglopen particu-
liere bijdragen, grotere verplichtingen, grotere tekorten — waren terecht ge-
komen, waar zij eerst bij een volledige financiële gelijkstelling met de open-
bare instellingen uit zouden geraken: reeds in 1948 was een financiële gelijk-
stelling van openbaar en bijzonder hoger onderwijs in feite onafwendbaar ge-
worden.
De geschetste ontwikkeling bracht sommige bijzondere instellingen in
ernstige tweestrijd: moest wel of niet op verhoging van de subsidiepercen-
tages worden aangedrongen?^"'' Op initiatief van de KU en de KHT besloten
de vier bijzondere instellingen echter in 1954 gezamenlijk de minister te be-
naderen met het dringend verzoek de subsidiepercentages voor de bijzondere
universiteiten te verhogen van 85 tot 95% en voor de beide hogescholen van
65 tot 70%.^* Dit verzoek werd gemotiveerd met de mededeling, dat een
door de minister voorgenomen verlaging van de collegegelden in 1956 zou
leiden tot een inkomensvermindering van de bijzondere instellingen;^"'toen
de Tweede Kamer het verzoek van de bijzondere instellingen bleek te onder-
steunen en de behandeling van het wetsontwerp tot verlaging van de college-
gelden opschortte tot de minister met een voorstel tot compensatie van de
door de bijzondere instellingen te derven inkomsten zou zijn gekomen,^^
verklaarde minister Cals^'^ zich bereid een verhoging van de subsidiepercen-
tages met 5% te bevorderen. In september 1955 diende hij daartoe een wets-
ontwerp in, dat medio 1956 het staatsblad bereikte.^'^
206. Vgl. par. III.3.2.
207. 'Bij zulk een verhoging ontstaat het gevaar, dat de belangstelling van het Gerefor-
meerde volk voor de Universiteit verslapt, aangezien het daarbij dan niet meer zo intens
en direct financieel is geïnteresseerd. De VU moet met 85% subsidie voor haar werkelijke
onkosten tevreden zijn', zie verslag van een bespreking der besturende colleges VU dd. 28
april 1952, Archief directeuren VU 1952.
208. Op 26 februari 1954 kwamen de vier instellingsbesturen voor het eerst bijeen. Op
7 april 1954 werd een gezamenlijke brief aan de minister gezonden; Archief directeuren
VU1954, no. 205.
209. Deze inkomensvermindering zou 0,9% voor de KHT, 2,57% voor de KU, 1,7% voor
de NEH en 0,83% voor de VU bedragen.
210. Bijlagen bij de HandeUngen II 1953-1954, no. 3272. De bedoeling was de college-
gelden van f 325 tot f 200 te verlagen.
211. Mr. J.L.M.Th. Cals was sedert 1950 staatssecretaris van OKW en volgde in 1952
minister Rutten op.
212. Bijlagen bij de HandeUngen II 1954—1955, no. 4072. Dit onwerp werd tegelijk
met ontwerp-3272 behandeld; Handelingen II 1955-1956, blzz. 2539-2557. Wet van 24
mei 1956, Stb. 292.
129
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's