De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 215
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
naast elkaar moeten staan en wel zodanig, dat ieder, welke ook zijn gods-
dienstige begrippen, op één dier openbaren scholen zijn eigen godsdienstige
begrippen niet alleen geëerbiedigd, maar ook beleden zou vinden. In 1857 is
met de aanvaarding van de Lager Onderwijswet-Van der Brugghen gekozen
voor een andere interpretatie van de Grondwet. Hoewel in de eerste jaren na
1857 de neutraliteit van het openbaar onderwijs vooral in het zuiden des
lands nog wel relatief werd opgevat,^' is de gevestigde opvatting toch, dat het
openbaar onderwijs ieders godsdienstige begrippen dient te eerbiedigen door
zich van elke rehgieuze inbreng in het onderwijs te onthouden; men spreekt
van de absolute neutraliteit van het openbaar onderwijs.
Intussen zijn in de neutraliteit van het openbaar onderwijs wel enige
bressen geschoten. De Staatscommissie tot reorganisatie van het hoger onder-
wijs kwam in 1949 met het advies om ook de openbare universiteiten het
kiezen van een bepaalde geestelijke grondslag toe te staan, aangezien zij tot
de erkenning was gekomen, dat een waardenvrije wetenschap niet bestaan-
baar is.'" Met de wet op het voortgezet onderwijs werd vervolgens een uit-
breiding gegeven aan het begrip godsdienstige overtuiging door daaronder
ook andere levensbeschouwelijke overtuigingen, zoals bijvoorbeeld de
humanistische, te rekenen.'^ De in 1973 opgetreden minister Van Kemenade
van Onderwijs en Wetenschappen heeft verschillende pogingen aangewend
om de absolute neutrahteit van het openbaar onderwijs om te buigen tot een
'positieve' neutrahteit. Hieronder werd verstaan een neutraliteit, die zich niet
onthoudt van iedere aandacht voor levensbeschouwelijke waarden, maar die
integendeel aandacht schenkt aan 'de verscheidenheid in levensbeschouwe-
lijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samen-
leving'.'^ Wel zou het openbaar onderwijs zich bij deze positieve neutraliteit
van het innemen van een bepaald standpunt ten aanzien van deze levensbe-
schouwelijke waarden moeten onthouden. De formulering van minister Van
Kemenade trachtte enerzijds 'de grondslag van het openbaar onderwijs tot
uitdrukking te brengen doordat rekening dient te worden gehouden met de
verscheidenheid in levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals
die leven in de Nederlandse samenleving. Anderzijds tracht de formulering
tot uitdrukking te brengen dat die grondslag zodanig dient te worden opge-
vat dat een bijdrage kan worden gegeven aan de ontwikkeling van de leer-
lingen door positief aandacht te besteden aan levensbeschouwelijke en maat-
schappelijke waarden'.'^
Nog verder gaan de gedachten over een samenwerkingsschool van openbaar
en bijzonder onderwijs'^ en het advies tot oprichting van een open universi-
teit in Nederland.'^ In beide gevallen wordt er naar gestreefd om 'zoveel
mogelijk recht te doen aan de verschillende geloofs- en levensopvattingen en
89. Vgl. Langedijk, blzz. 28, 69 e.v.
90. Rapport sectie U van de staatscommissie, 1949.
91. Art. 42 Mammoetwet, Stb. 1963, no. 40.
92. Art. 29 ontwerp van wet op het basisonderwijs; Bijlagen bij de Handelingen II
1976-1977, no. 14428.
93. Bijlagen bij de Handelingen H 1976-1977, no. 14428 nr. 3, blz. 50.
94. Zie o.a. F.W.M, van der Ven: 'Openbaar en bijzonder onderwijs samen?', 1974.
95. Zie hiervoor blz. 202.
203
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's