De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 99
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
nieuwe voorwaarde voor erkenning (en bekostiging) te aanvaarden, dan wel
om de effectus civilis voor de medische faculteit op te geven; daarbij moet
dan nog worden opgemerkt, dat aan het medisch onderwijs als zodanig de
effectus civilis niet is verbonden, maar wel aan het van overheidswege af te
nemen artsexamen. Nu is het bovendien curieus, dat het intrekken van de
erkenning zowel voor de overheid als voor de KU tot onaanvaardbare conse-
quenties zou hebben geleid. Voor de overheid, omdat bij intrekking van de
erkenning de KU niet langer zorg zou hebben kunnen dragen voor de
medische opleiding, zodat de capaciteitsproblemen bij het medisch weten-
schappelijk onderwijs als geheel zouden verergeren; voor de KU, omdat met
de erkenning ook de bekostiging van de medische faculteit zou zijn komen te
vervallen, terwijl het de KU aan mogelijkheden ontbrak om deze faculteit uit
eigen middelen gedurende lange tijd in stand te houden. Derhalve waren
overheid en KU er al in 1966 toe veroordeeld om het eens te worden. De in
de machtigingswet inschrijving studenten 1972 neergelegde regeling, die voor
de bijzondere universiteiten en hogescholen geldt als voorwaarde voor
erkenning en bekostiging, waaraan ter waarborging van de deugdelijkheid van
het onderwijs moet worden voldaan, is door de bijzondere instellingen ten-
slotte vrijwillig aanvaard. Bovendien bleven deze insteUingen naar de letter
van de wet vrij om eventueel minder dan het door de minister vastgestelde
aantal studenten op te nemen, indien zij zouden menen niet langer voor de
deugdelijkheid van het onderwijs te kunnen instaan ondanks de door de
minister vastgestelde numerus fixus.
II.6.4. De numerus fixus en de vrijheid van studiekeuze
Een meerderheid van de Tweede Kamer achtte het ontwerp-Diepenhorst een
aantasting van de vrijheid van studiekeuze en wees het daarom af. De hier
bedoelde vrijheid van studiekeuze had echter een andere inhoud dan de vrij-
heid, die gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw in het geding
was.^^* Toen was de inzet de vrijheid om zich naar eigen goeddunken op de
af te leggen examens voor te bereiden; in 1966 werd met de vrijheid van
studiekeuze gedoeld op het recht van iedere staatsburger om zelfstandig en
zonder enige beïnvloeding een studierichting te kiezen en die ook daad-
werkelijk te volgen. In de Grondwet wordt deze vrijheid niet genoemd of
beschermd; ook de wet WO noemt deze vrijheid niet met name. Wel kent
deze wet een recht van inschrijving voor elke studierichting toe aan ieder, die
voldoet aan de wettelijke voorwaarden.
De facto, maar niet de jure bestond derhalve in 1966 een vrijheid van
studiekeuze. Die vrijheid gold echter uitsluitend voor het openbaar weten-
schappelijk onderwijs; voorzolang de bekostigingsvoorwaarden hun dat niet
onmogelijk maakten^^' bezaten de bijzondere instellingen vrijheid om de in-
schrijving van bepaalde studenten te weigeren, c.q. om aan de inschrijving
voorwaarden te verbinden. Zo eiste de VU tot aan de Tweede Wereldoorlog,
dat alle leden van de universitaire gemeenschap en dus ook de in te schrijven
228. Zie par. 1.4.3.
229. Sinds de Collegegeldwet 1974 is dat het geval. Vgl. blz. 85, noot 221.
87
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's