De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 101
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
Dat de Tweede Kamer nog in 1966 koos voor handhaving van een onbe-
lemmerde vrijheid van studiekeuze is met het voorgaande niet in strijd. De
geschiedenis heeft immers geleerd, dat door andere maatregelen te treffen
zowel de onderwijskwaHteit als de vrijheid van studiekeuze voorlopig nog
onaangetast konden blijven. Pas in 1972 behoefde een keuze gemaakt te
worden en moest het ultimum remedium van een numerus fixus worden toe-
gepast.
Anders ligt het intussen met de afweging van de handhaving van vrijheid
van studiekeuze tegen het beginsel van de 'maatschappelijke behoefte', dat
sedert 1974 opgang maakt. Uitgangspunt is de stelling, dat steeds meer
studenten worden opgeleid tot werkloosheid. Bij verschillende studie-
richtingen ontstaat een groeiend overschot aan academici. Daarom achten
sommigen het ogenbHk gekomen om de numerus fixus niet langer alleen te
baseren op de opleidingscapaciteit van het wetenschappelijk onderwijs, maar
daarenboven ook op de behoefte aan afgestudeerden in een bepaalde studie-
richting. Twee overwegingen liggen aan het beginsel van de maatschappelijke
behoefte ten grondslag; de eerste is, dat het onjuist is om een toenemend
aantal studenten tot werkloosheid op te leiden; de tweede, dat de kosten, die
door de overheid moeten worden gemaakt om studenten op te leiden, niet
langer verantwoord zijn wanneer die opleiding ophoudt aan zijn doel te
beantwoorden.
Nu de vrijheid van studiekeuze een juridische grondslag in de vorm van
een wettelijke basis ontbeert, zijn er op zichzelf geen formele beletselen om
de vrijheid van studiekeuze op te offeren. De wetgever heeft er evenwel
terecht blijk van gegeven, dat zij ook zonder (grond)wettelijke grondslag
grote waarde hecht aan de vrijheid van studiekeuze. Die vrijheid is dan ook te
beschouwen als een belangrijke verworvenheid, die niet zonder gedegen over-
weging mag worden opgeofferd.
II.7. De herstructurering van het wetenschappelijk onderwijs
II. 7.1. De wet Herstructurering
De toeloop van studenten bij het wetenschappelijk onderwijs werd na de tot-
standkoming van de wet WO nog versterkt door het bewust nastreven van
een 'externe democratisering' van het wetenschappelijk onderwijs. Het beleid
van minister Cals was er op gericht om dit onderwijs voor grotere bevol-
kingsgroepen toegankelijk te maken door de toelatingseisen te verlagen en
door het wetenschappelijk onderwijs een wat schoolser karakter te geven.^^'
Door het op ruime schaal verstrekken van studiebeurzen stelde hij ook finan-
cieel een groter deel van de bevolking tot het volgen van een wetenschappe-
lijke studie in staat.
Toen in 1963 de eerste fase van de herziening van het Academisch Statuut
231. Tot uiting komend in een snelle groei van de personeelsaantallen; zie Aniens,
blzz. 127 e.v. Vgl. ook de 'Slanke lijn'-nota van staatssecretaris dr. G. Klein. 1977.
89
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's