De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 91
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
voorzien: de niet-erkende, gesubsidieerde instellingen van wetenschappelijk
onderwijs. Omdat een dergelijke figuur ongewenst werd geacht werd een
wetsontwerp ingediend, dat de aanwijzing van de betrokken theologische
opleidingen mogelijk moest maken op een zelfde wijze als waarop dat in
1963 ook voor de theologische faculteiten bij de beide bijzondere universi-
teiten was geschied.^' Op grond van deze wettelijke regeling zijn in de
periode 1974—1976 in totaal zes theologische opleidingen door de Kroon
erkend en aangewezen als bijzondere instellingen,' die ten aanzien van de
door hen te verlenen doctoraten en getuigschriften gelijke rechten hebben als
de rijksuniversiteiten.''' In 1978, tenslotte, heeft een ingestelde werkgroep
advies uitgebracht met betrekking tot een tot stand te brengen wettelijke
regeling van de bekostiging van deze instellingen.^'^
II.6. De numerus fixus
II.6.1. De ontwikkeling van het aantal academici
Tegen het einde van de vijftiger jaren werd de toeloop van studenten naar het
wetenschappelijk onderwijs steeds groter. Twee factoren droegen daartoe bij.
In de eerste plaats het streven naar verruiming van de toelating tot het
wetenschappelijk onderwijs en aan de andere kant de ontwikkeling van het
studiebeurzenstelsel, dat het steeds grotere lagen van de bevolking mogelijk
maakte om te gaan studeren. In 1961 constateerde minister Cals in zijn nota
'Uitbreiding van het wetenschappelijk onderwijs',*'^ dat zich een democrati-
sering van het wetenschappelijk onderwijs aan het baanbreken was. Op grond
daarvan moest worden gestreefd naar een grotere opleidingscapaciteit van de
bestaande universiteiten en hogescholen;'^'* die uitbreiding van de opleidings-
capaciteit zou gerealiseerd moeten worden door een verdere decentralisatie
van het technisch wetenschappelijk onderwijs en een verdere ontplooiing van
de juridische, economische en sociologische opleidingen. Van de bestaande
opleidingscapaciteit zou bovendien een beter gebruik gemaakt kunnen
worden door te overwegen de studieduur te verkorten met de mogelijkheid
van 'een langer verblijf aan de universiteiten van de studenten van wie de
hoogleraren bijzondere verwachtingen koesteren'.''^
190. Ziepar. III.6.3.
191. KB van 9 september 1974, Stb. 539, betreffende drie instellingen van Katholiek
wetenschappelijk theologisch onderwijs; KB van 8 maart 1975, Stb. 109, betreffende de
beide hogescholen te Kampen; KB van 23 januari 1976, Stb. 33, betreffende de Katho-
lieke Theologische Hogeschool te Utrecht.
192. Zie Memorie van Toelichting bij wetsontwerp Bijlagen bij de Handelingen II
1976-1977, no. 14100 VIII.
193. Bijlagen bij de Handelingen II 1960-1961, no. 6244. Zie ook: de CBS-prognose
1957 over de studentenaantallen tot 1970; rapporten commissies Spreiding hoger onder-
wijs en Spreiding technisch hoger onderwijs; lUCO-rapport: 'De ontwikkeling van het aan-
tal academici tot 1980'.
194. Middels vergroting van de opleidingscapaciteit zou tegemoet gekomen kunnen
worden aan individuele onderwijsbehoeften: 'individuele geaardheid, aanleg, intellectuele
en morele eigenschappen'.
195. Zie ook prof. dr. K. Posthumus in 'Universiteit en Hogeschool' 1958/1959,
81
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's