De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 137
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
het wetsontwerp.'*^ De grote eenstemmigheid over het ontwerp moest vol-
gens hem niet worden beschouwd als een 'consequentie van het in 1905 aan-
vaarde standpunt', maar als een gevolg van de bestaande politieke constel-
latie. In het feit, dat de PvdA, die nooit een voorstander van het bijzonder
onderwijs was, nu niet zonder moeite had willen instemmen met dit ontwerp
zag hij een mogelijk gevaar voor de vrijheid en de zelfstandigheid van het
bijzonder hoger onderwijs. Na dit betoog werd het ontwerp-Gielen zonder
hoofdelijke stemming door de Eerste Kamer aangenomen.'*'
Korte tijd later aanvaardden de Staten-Generaal nog twee andere, voor het
bijzonder hoger onderwijs belangrijke wetsontwerpen. Het eerste daarvan'^*
gaf de overheid de bevoegdheid om de rente en aflossing van geldleningen ten
behoeve van investeringen van gesubsidieerde bijzondere universiteiten en
hogescholen te garanderen tot een totaalbedrag van f 30 miljoen.'*'' Het
tweede ontwerp behelsde een wijziging van de Pensioenwet 1922 en opende
de mogelijkheid om 'personen, die als hoogleraar, lector of in enige andere
betrekking in vaste dienst verbonden zijn' aan een bijzondere universiteit of
hogeschool, vallende onder de bepalingen van de HO-wet, onder de werking
van de Pensioenwet 1922 te brengen.'** Deze wetswijziging bood het vóór
1947 bij de bijzondere instellingen in dienst getreden personeel de gelegen-
heid zich bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds in te kopen voor de tijd,
die zij vóór 1947 in dienst waren geweest. Het na 1946 in dienst getreden
personeel zou automatisch bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds zijn
aangesloten en aldus de status van ambtenaar in de zin van de Pensioenwet
1922 verwerven.'*'
III.5.2. De wet-Gielen en de Grondwet
De onderwijspacificatie 1917 had naar de bedoeling van het ministerie-Cort
van der Linden uitdrukkelijk niet betrekking op de financiële positie van het
bijzonder hoger onderwijs. Ook de staatscommissie voor hoger onderwijs van
1923 kwam aan een uitspraak over doortrekking van het beginsel van de
pacificatie naar het hoger onderwijs niet toe." De vraag is of de wet-Gielen
wel de doortrekking van dit beginsel naar het hoger onderwijs betekende. Bij
subsidiëring; zie notulen vergadering directeuren, curatoren en enkele hoogleraren VU
dd. 14 september 1946.
184. Handelingen I 1947-1948, blzz. 622-632.
185. Wet van 3 juni 1948, Stb. I 231.
186. Bijlagen bij de Handelingen II 1947-1948, no. 852; wet van 24 juli 1948,
Stb. I 336.
187. Deze garanties hadden betrekking op het niet-subsidiabele deel van de investerin-
gen; het bedrag was gekozen naar het voorbeeld van andere vormen van gesubsidieerd
onderwijs.
188. Bijlagen bij de Handelingen II 1947-1948, no. 675. Het geciteerde art. 4 sub a
werd naar aanleiding van het Voorlopig Verslag toegevoegd. Verzuimd werd tevens art. 39
op de bijzondere insteUingen van toepassing te verklaren, zodat zij de door het rijk recht-
streeks gestorte pensioenbij dragen niet behoefden te restitueren. In 1952 werd dit ver-
zuim rechtgezet.
189. Wet van 15 juU 1948, Stb. I 302.
190. Ziepar. III.4.3.
125
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's