Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 76

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 76

Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam

3 minuten leestijd

hoop gelopen,'"^ omdat daarmee in het geheel van verhoudingen en bevoegd-

heden tussen de staatsorganen de suprematie van de wetgever is gesteld:

alleen aan deze staat ter beoordehng of een wet in overeenstemming is met

de Grondwet. ^"^ Van verschillende kanten is dan ook gepleit voor de invoe-

ring van een rechterlijk toetsingsrecht van de wet aan de Grondwet in zijn

geheel of alleen ten aanzien van de grondrechten.^"^ Hoe dit ook zij, in het

Nederlands staatsbestel is een toetsing van de wet aan de Grondwet (nog) niet

mogelijk.'*" Zou dat wel het geval zijn geweest dan zouden de beide ge-

wraakte voorwaarden uit de wet-Kuyper wellicht als ongerechtvaardigde be-

perkingen van de vrijheid van onderwijs zijn veroordeeld.

De realiteit gebiedt intussen te erkennen, dat ook indien een toetsing van

wet aan Grondwet in 1905 mogelijk zou zijn geweest, de VU zich waarschijn-

lijk toch tegen de wet-Kuyper niet teweer zou hebben gesteld, omdat deze

universiteit al vanaf de stichting een college van curatoren van vijf leden

kende en ook de academische promoties als regel in het openbaar plaats

107. Als eerste waarschuwde Thorbecke, dat de suprematie van de wetgever tot gevolg

zou hebben, dat men de eenheid der wetgeving zou verbreken; 'de Grondwet zou op-

houden Grondwet te zijn en de gewone wetgever, die zijn bestaan en zijn recht enkel uit

de Grondwet ontleent, boven de Grondwet wezen'; mr. J.R. Thorbecke; 'Bijdrage tot de

herziening der Grondwet', 1848, blzz. 60 e.v.

Bij deze kritiek hebben zich rond de eeuwwisseling aangesloten: prof. mr. H. Krabbe:

'De heerschappij der Grondwet', afgedrukt in de Gids, vierde deel, blzz. 371—407, en

'Ongezonde lektuur', 1913; prof. mr. J. Oppenheim; 'De suprematie der Grondwet', afge-

drukt in Rechtsgeleerd Magazijn, 1907, blzz. 45—85.

In 1914 wijdde de NJV haar jaarvergadering aan de vraag 'Behoort een verschü tussen

wet en grondwet in stand te worden gehouden?'. Preadviseur prof. mr. P. Kleintjes be-

toogde onder meer, 'dat de wetgevende macht er geen bezwaar in heeft gezien lijnrecht

tegen de grondwet in te loopen' en 'tal van ongrondwettigheden op zijn geweten heeft'.

Gematigder waren de preadviseurs prof. mr. J.A. van Hamel en mr. dr. J.A. Loeff. Van

Hamel stelde geen voorbeeld te weten, 'dat de wetgever inderdaad onze constitutie met

voeten getreden of verkracht heeft'.

Na 1914 is het vraagstuk van de onschendbaarheid van de wet lange tijd uit de belang-

stelling verdwenen, maar met het verschijnen van de 'Proeve van een nieuwe Grondwet'

heeft het onderwerp zijn actualiteit herkregen. De Proeve steunde voor wat betreft de

grondrechten de in 1963 door Jeukens gelanceerde gedachte om een rechterlijk toetsings-

recht in te voeren; prof. mr. H.J.M. Jeukens: 'De wetten zijn onschendbaar', inaugurele

oratie K.H. Tilburg; vgl. ook mr. H.Th.J.F. van Maarseveen: 'De wetten schenden', in NJB

van 12 maart 1966, no. 11; Meuwissen: 'De Europese Conventie en het Nederlands

Recht'. Anderen hebben daarentegen de onschendbaarheid van de wet verdedigd; zie prof.

mr. A.A.H. Struycken: 'De Grondwet, haar karakter en waarde', Arnhem, 1914; mr. J.

van der Hoeven: 'De plaats van de Grondwet in het constitutionele recht', 1958, ac.pr.

GU Amsterdam; mr. L. Prakke: 'Toetsing m het publiekrecht', 1971, ac.pr.; Eindrapport

van de commissie Cals/Donner, blzz. 251-257, waar een meerderheid van de commissie

het toetsingsrecht als algemeen recht afwijst.

108. Vgl. 'Proeve van een nieuwe Grondwet', blzz. 179—180.

109. Aldus de commissie Cals/Donner, tweede rapport blzz. 34 e.v.. Eindrapport

blzz. 253 e.v. Intussen is de regering tot de slotsom gekomen, dat de nadelen van invoe-

ring van een toetsingsrecht zwaarder wegen dan de voordelen; de regering heeft derhalve

alle voorstellen afgewezen. Bijlagen bij de Handelingen II 1973—1974, no. 12944, nr. 1

bizz. 12-13.

110. In de Duitse Bondsrepubliek, waar toetsing Van de wet aan de Grondwet wel moge-

lijk is, heeft de jurisprudentie van het Bundesverfassungsgericht zowel op het punt van de

66

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 76

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's