De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 130
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
III.4.3. De Staatscommissie voor het hoger onderwijs
Bij de onderwijspacificatie van 1917 was de positie van het bijzonder hoger
onderwijs uitdrukkelijk buiten beschouwing gelaten.''*^ Bij de installatie in
1914 had minister Cort van der Linden de bevredigingscommissie opgedragen
van regehng van de financiële positie van het bijzonder hoger onderwijs af te
zien tot een nader tijdstip. 'Dat later tijdstip is nu aangebroken', meende
CoUjn bij de installatie van de door hem voorgezeten Staatscommissie voor
het hoger onderwijs in 1923.''*'' Deze commissie kreeg onder meer tot taak
om na te gaan of 'de verhouding tussen het openbaar en bijzonder hoger
onderwijs nader kan worden geregeld, zodat het bijzonder universitair onder
wijs zich naar zijn aard beter zal kunnen ontwikkelen'.
Binnen de staatscommissie openbaarden zich al spoedig de oude tegenstel
lingen ten aanzien van hoger onderwijs op levensbeschouwelijke grondslag.
Terwijl volgens de één universitair onderwijs op zodanige grondslag separa
tisme in de hand werkt, meenden anderen, dat het zoeken en vinden van de
waarheid buiten de levensbeschouwingen om niet mogelijk is.*"^ Geen
wonder, dat de staatscommissie met een verdeeld advies kwam. Een deel van
de commissie zag in de jaarlijkse tegemoetkoming van f 4000 voor de voor
ziening in onderwijslokalen een begin van subsidiëring van de bijzondere uni
versiteiten ;'*' anderen daarentegen waren van oordeel, dat de wetKuyper
wel de wetenschappelijke waarde van het bijzonder onderwijs had willen
erkennen, zonder nochthans de totstandkoming van bijzondere universiteiten
te willen aanmoedigen. Deze leden meenden, dat de jaarlijkse tegemoet
koming van f4000 'wegens de geringheid van het bedrag' buiten be
schouwing kon blijven.''"
De staatscommissie kwam uiteindelijk tot het eenstemmig oordeel, dat
's lands financiën anno 1924 een financiële steun aan de bijzondere universi
teiten uitsloten. Een minderheid in de commissie meende al wel de princi
piële uitspraak te moeten doen, dat zodra de rijksfinanciën dit zouden toe
staan, de overheid tot subsidiëring van de bijzondere universiteiten zou
moeten overgaan. 'Als voornaamste argument daarvoor wenscht zij nogmaals
te wijzen op de onbillijkheid om ongeveer 40% der bevolking ten volle te
laten bijdragen tot het openbaar hooger onderwijs en dit deel tevens geheel
alleen de kosten der bijzondere universiteiten te laten dragen. Men vergete
bovendien niet, dat de belastingen, waaruit de kosten van het openbaar
>
begroting in plaats van 'Subsidie aan de Nederlandse Handelshoogeschool... f 47.500' te
lezen 'Subsidie aan handelshogescholen . . . f 47.501'. De voorstanders .wezen daarbij op
het onredeUjke van subsidiëring van slechts één handelshogeschool. De tegenstanders
meenden, dat 'het dogma der "neutraliteit" bij het hooger onderwijs het eenige dogma is,
dat voor het gansche volk geschikt is'; 'heeft Rome eenmaal den vinger gekregen, het zal
weldra de heele hand nemen'. Op 1 december 1938 werd het amendementMoller met 47
tegen 46 stemmen aanvaard; Handelingen II 19381939, blzz. 579585.
146. Zie par. III.2.2., blzz. 101 en 104 noot 65.
147. Ingesteld bij KB van 24 februari 1923, no, 8.
148. Eindrapport blzz. 5859.
149. Eindrapport blz. 61.
150. Eindrapport blzz. 61—63.
118
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's