Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 175

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 175

Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam

3 minuten leestijd

der overeenkomst gebruik wordt gemaakt, en duidelijk is, dat de wetgever de

desbetreffende verhouding aan het burgerlijk recht geheel heeft willen ont-

trekken'.^'''' Hoewel thans de neiging bestaat om in een groter aantal gevallen

het bestaan een publiekrechtelijke overeenkomst aan te nemen^''^ heeft deze

toch in het algemeen nog niet of nauwelijks ingang in het Nederlandse rechts-

stelsel gevonden; ook de wet biedt (nog) geen aanknopingspunten voor een

afzonderlijk bestuursrechtelijk overeenkomstenrecht.^'''

Dit alles in aanmerking nemende is het door minister Bot bedoelde gentle-

men's agreement nauwelijks te beschouwen als een overeenkomst; laat staan

als een publiekrechtelijke. Eerder gaat het hier om een bepaalde besluitvor-

mingsprocedure, die voor het overige de bij wet geregelde subsidieverhouding

tussen de overheid en de bijzondere instellingen niet heeft veranderd of aan-

getast. Deze besluitvorming vormt de afronding van een reeks van onder-

handelingen — te beginnen bij de eerste commissie-'s Jacob en eindigende bij

de werkgroep-Piekaar — over de subsidievoorwaarden. Uit de wijze, waarop

deze onderhandelingen gevoerd zijn spreekt het besef van de overheid, dat de

totstandkoming van subsidievoorwaarden, die de grondwettelijk gewaar-

borgde vrijheid van onderwijs beperken of kunnen beperken, slechts mogelijk

is in overleg en na overeenstemming met de betrokken bijzondere

instellingen van wetenschappelijk onderwijs.

Na deze conclusie rest slechts de al eerder gedane constatering, dat het

recht van de bijzondere instellingen, om over een beperking van hun vrijheid

te worden geraadpleegd, wel impliciet door de overheid is erkend, maar nooit

expHciet is vastgelegd. In deze zin kan men Bosse nageven, dat het aan de

vastlegging van de rechten van de overheid en de verplichtingen van de gesub-

sidieerde bij een subsidieverlening als regel niet schort, maar dat een goede

verankering van de rechten van de gesubsidieerde ontbreekt. Tot de notoire

lacunes in dit opzicht behoort een wettelijke basis voor de verplichting van

de overheid jegens de bijzondere universiteiten en hogescholen om hen te

consulteren over alle wetsvoorstellen, die de grondwettelijk gewaarborgde

vrijheid aantasten of verder zouden kunnen aantasten; in het bijzonder zou

dit moeten gelden voor wetsvoorstellen, waardoor bestaande voorwaarden

voor erkenning of bekostiging worden gewijzigd of aangevuld.^^"^ Om te be-

reiken, dat een dergelijke raadpleging een wezenlijke betekenis verkrijgt zou-

den de door de bijzondere insteOingen uitgebrachte adviezen met de betref-

fende wetsvoorstellen moeten worden gepubliceerd.^^'

377. Zie mr. G.J. Wiarda: 'Overeenkomsten met overheidslichamen', 1939, ac.pr.G.U.

Amsterdam, blz. 253. Als voorbeeld noemt hij de gemeenschappelijke regeling tussen

openbare lichamen; dit zelfde voorbeeld vindt men bij Donner in 'Nederlands Bestuurs-

recht', blz. 309.

378. Zo onder meer prof. mr. P. de Haan, syllabus blzz. 147—148; vgl. het preadvies van

prof. mr. M. Scheltema over rechtsverwerking in het administratieve recht, VAR 1975.

379. Vgl. 'Nederlands Bestuursrecht', blzz. 308-309.

380. Vgl. Van Krefeld, blz. 145. Hij meent, dat het opleggen van nieuwe subsidievoor-

waarden alleen op goede gronden kan plaats vinden.

381. Dit strookt met de in 1959 door de bijzondere instellingen in het lUCO vertolkte

opvatting, dat de minister afzonderUjk van de gevoelens van deze instellingen omtrent het

ontwerp-Cals kennis zou moeten nemen; zie par. ni.6.

163

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 175

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's