De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 206
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
mede tot gevolg heeft, dat de bestaande redactie van het onderwijsartikel
voortaan anders zal moeten worden uitgelegd; in afwijking van de tot dus-
verre gevolgde interpretatie zou dan moeten worden aangenomen, dat het
onderwijsartikel delegatie voortaan uitsluit. Het is in de eerste plaats de
Tweede Kamer zelf, die door een consequente opstelling moet laten blijken
of dit een juiste gevolgtrekking is. Intussen moet worden opgemerkt, dat
delegatie - ondanks alle bezwaren van de Tweede Kamer daartegen — toch
wel wenselijk is vanwege de ook door de Raad van State aangevoerde
praktische argumenten. De wetgever is eenvoudig niet in staat om het gehele
onderwijs tot in de kleinste details te regelen en is zeker niet in staat om
steeds voldoende snel op zich wijzigende situaties en behoeften in het onder-
wijs te reageren; de wetgevingsprocedure is onvoldoende gericht op het snel
geven van soms dringend noodzakelijke regelingen.
De Tweede Kamer heeft zichzelf overschat, indien zij door haar afwijzing
van het regeringsvoorstel meende te handelen in het belang van het bijzonder
onderwijs. Ondanks de door de Staten-Generaal bij de beoordeHng van wets-
ontwerpen aan de dag gelegde zorgvuldigheid zijn toch ook in het verleden
wetsontwerpen aanvaard, die — zacht gezegd — op gespannen voet met de
grondwettelijk gewaarborgde vrijheid van onderwijs staan. Voorbeelden daar-
van zijn te vinden in de wet Herstructurering Wetenschappelijk Onderwijs, de
WUB en de Collegegeld wet 1974."** Een verbod aan de wetgever van delegatie
van wetgevende bevoegdheden biedt derhalve evenmin een absolute waarborg
voor de eerbiediging van de vrijheid van onderwijs. Hoogstens zou een zo-
danig verbod een verhoogde waarborg voor de vrijheid kunnen betekenen.
Terwijl de wet onschendbaar is*^ en een wettelijke beperking van de vrij-
heid van onderwijs onaantastbaar, kan het bijzonder onderwijs tegen even-
tuele beperkingen van de vrijheid van onderwijs door een lagere regeUng
— wet in materiële zin — wel opkomen. Algemene maatregelen van bestuur,
ministeriële verordeningen en verordeningen van lagere besturen zijn niet on-
aantastbaar en kunnen door de rechter worden getoetst aan hogere regehn-
gen. Die toetsing geschiedt aan de naast-hogere regeling. Indien de naast-
hogere regeling de wet is en het aan toetsing onderworpen lagere voorschrift
binnen de grenzen van de delegatie door de wet blijft, dan zal de rechter
uitgaan van de onaantastbaarheid van de wet en het lagere voorschrift. Een
rechtstreekse toetsing van het lagere voorschrift aan de Grondwet met voor-
bij gaan aan de wet is dan niet mogelijk.'*^ Wanneer het betreffende voor-
schrift echter niet steunt op een wet en de naast-hogere regeling de Grond-
wet is, dan kan de rechter wel tussenkomen. Voorbeelden van toetsing van
een regeling aan de Grondwet zijn het Amsterdamse bewaarschoolarrest**' en
het Goudse rijschoolarrest. ^^
46. Zie par. II.7.2., III.9.6. en III. 10.2.
47. Art. 131 van de Grondwet.
48. Vgl. het Sittardse dansleraararrest: HR 5 mei 1959, NJ 1959 no. 361; ARB 1959,
blz. 707.
49. HR 17 december 1934, NJ 1935 blz. 392; ARB 1935, blz. 582; Weekblad van het
Recht 12869.
50. HR 10 december 1957, NJ 1958 no. 176; ARB 1958, blz. 43; Ars Aequi
1957/1958, blz. 125 met noot van prof. mr. F.J.F.M. Duynstee.
194
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's