De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 87
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
geweest zijn, 'als daardoor het bijzonder onderwijs in zijn essentiƫle vrijheid
van richting en inrichting of ook in de vrije benoeming van zijn docenten
werd belemmerd'. Het ontwerp-Cals zou echter de bestaande vrijheid, zowel
op het stuk der benoemingen als voor wat betreft de inrichting van het
onderwijs nog vergroten. Daartegenover stonden door Stokman rechtvaardig
geachte vrijheidsbeperkingen; zo zouden de eisen van toelating niet geringer
mogen zijn dan bij de rijksuniversiteiten en zouden de bepalingen van het
Academisch Statuut ook voor het bijzonder onderwijs als minimumnormen
gelden.
De vertegenwoordiger van de Anti-Revolutionairen in de Tweede Kamer,
mr. Th.A. Versteeg, zei beducht te zijn, dat als 'gevolg van het feit, dat in
's ministers systeem het principieel anderssoortige van het bijzonder onder-
wijs, vergeleken met het openbare, niet duidelijk aan de dag treedt (. . .) de
vrijheid van onderwijs, die vrijheid van richting, maar ooH van inrichting om-
vat (...), in het gedrang komt'. De zelfstandigheid van de bijzondere instellin-
gen tegenover de overheid zou, met of zonder subsidie, onverkort gehand-
haafd moeten blijven en duidelijk worden uitgesproken. De overheid is ten
volle verantwoordelijk voor de al dan niet zelfstandig verklaarde openbare
instellingen, maar de bijzondere blijven onderworpen aan eigen reglementen;
zij zijn zelf verantwoordelijk voor de ontwikkeling van onderwijs en weten-
schap. Tussen de openbare en de bijzondere instellingen bestaat derhalve een
verschil in karakter, 'dat uit de bepalingen van dit ontwerp niet zo duidelijk
blijkt, maar dat wel aanwezig zou moeten zijn in de geest, waarin deze be-
palingen behoren te worden aangenomen'.^
II.5.3. Aanwijzing, erkenning en deugdelijkheid
De wet-Kuyper maakte de aanwijzing van instellingen, stichtingen of rechts-
persoonlijkheid bezittende verenigingen 'als bevoegd eene bijzondere univer-
siteit te hebben, die ten aanzien van uitdrukkelijk in de aanwijzing te ver-
melden, door haar te verleenen, doctorale graden, gelijke rechten heeft als de
Rijksuniversiteiten"^' mogelijk. Om voor aanwijzing in aanmerking te komen
moest zijn voldaan aan de in de wet vermelde voorwaarden. De wet WO liet
de mogelijkheid van aanwijzing van nieuwe bijzondere instellingen van
wetenschappelijk onderwijs in stand, maar duidde daarnaast de vier be-
staande en in het verleden onder de HO-wet reeds aangewezen bijzondere
universiteiten en hogescholen afzonderlijk aan. Daar deze instellingen niet
meer voor aanwijzing in aanmerking kwamen konden haar ook geen nieuwe
voorwaarden voor aanwijzing worden opgelegd; in plaats daarvan introdu-
ceerde de wet voor deze instellingen het begrip 'voorwaarden voor erken-
ning'.'"'^ De voorwaarden voor erkenning waren tevens voorwaarden voor
170. Nauwelijks geamendeerd werd het ontwerp zonder hoofdelijke stemming door de
beide Kamers der Staten-Generaal aanvaard; als wet van 22 december 1960 werd de wet
WO afgekondigd, Stb. 559. De datum van inwerkingtreden werd bepaald op 1 januari
1961, voor wat betreft de bepalingen omtrent de rijksbijdrage aan het bijzonder onderwijs
op 1 januari 1960; KB van 28 december 1960, Stb. 380, gewijzigd bij KB van 22 april
1961, Stb. 132.
171. Art. 184 HO-wet 1905.
172. Art. 16 wet WO.
77
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's