De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 65
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
amendement-Lohman,' dat aan bijzondere gymnasia de effectus civilis ver-
leende. Eveneens nieuw was een hoofdstuk gewijd aan de bijzondere leer-
stoelen, waarmee werden bedoeld de door particulieren met instemming van
de overheid in te stellen leerstoelen aan de rijksuniversiteiten.^' Dit hoofd-
stuk werd gevolgd door een vijfde over de bijzondere universiteiten, dat uit-
ging van de gedachte: 'gelijkstelling van doctorale graden door eene openbare
en eene bijzondere universiteit verleend kan nimmer plaats hebben, dan door
van de bijzondere universiteit waarborgen te eischen voor de gelijkwaardig-
heid van de door haar verleende diploma's met die der openbare universiteit'.
Het wetsontwerp stelde voor de mogelijkheid te openen bij Koninklijk Be-
sluit rechtspersonen aan te wijzen als bevoegd tot het hebben van een bijzon-
dere universiteit, die ten aanzien van met name in deze aanwijzing genoemde,
door haar te verlenen, doctorale graden, gelijke rechten zou hebben als de
rijksuniversiteiten.'* Om voor aanwijzing in aanmerking te komen zou een
bijzondere universiteit en het onderwijs dan aan verschillende voorwaarden
moeten voldoen.
In het zesde hoofdstuk tenslotte werden de instelling van een commissie van
toezicht op het bijzonder hoger onderwijs en de taken van die commissie
geregeld. De instelling van deze commissie betekende niet, dat het verzuim
van 1876 — toen, tegen het grondwettelijk voorschrift in, het toezicht op het
bijzonder hoger onderwijs in het geheel niet werd geregeld" - werd hersteld,
want de commissie zou alleen worden belast met het toezicht op de bijzon-
dere leerstoelen en de aangewezen bijzondere universiteiten; ten aanzien van
de niet-aangewezen bijzondere universiteiten zou zij geen bevoegdheden ver-
krijgen.
De Staten-Generaal gingen bij de behandeling van het ontwerp-Kuyper niet
over één nacht ijs. Alleen al de mondelinge behandeling door de Tweede Ka-
mer vergde meer dan een maand tijd.'^ Aan het slot daarvan verklaarde de voor-
zitter van de commissie van voorbereiding, mr. Th. Heemskerk," zelf voor-
stander van het ontwerp en partijgenoot van Kuyper, dat een meerderheid
van de commissie ervan overtuigd was, dat het ontwerp strekte tot bevorde-
ring van de ontwikkeling van zowel het openbaar als het bijzonder hoger
onderwijs en dat bovendien het ontwerp voldoende waarborgen bood. Een
minderheid van de commissie achtte de gestelde waarborgen daarentegen
onvoldoende. Met 41^" tegen 56 stemmen werd het wetsontwerp door de
54. Zie par. II.2.1.
55. Zie over de opneming in het ontwerp van dit hoofdstuk: Brom, blzz. 12 e.v.; De Ru,
blz. 23. Kuyper zelf was tegen opneming van dit hoofdstuk in het ontwerp; hij zvwchtte
voor de aandrang van zijn coalitiegenoten.
56. Kortheidshalve zal in het vervolg alleen nog worden gesproken over de 'aanwijzing'.
57. Zie par. 1.7.4.3.
58. Van 17 februari tot 24 maart 1904 werden aUe vergaderingen aan de behandeling
van dit wetsontwerp besteed. Zie Handelingen II 1903-1904, blzz. 1273-1577, 1653 en
1654; zie ook De Ru, hoofdstuk VI: 'Het tournooi in de Tweede Kamer'.
59. Zoon van de minister, die in 1876 de HO-wet in het Staatsblad bracht.
60. Namelijk 40 leden van links en het rechtse kamerlid dr. J.Th. de Visser, de latere
minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.
55
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's