De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 143
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
maken op een volledige vergoeding van kosten, maar, omdat dit noodzake-
lijkerwijs tot een preventieve controle op de uitgaven zou leiden en dus tot
een aantasting van de onderwijsvrijheid, werd een volledige vergoeding van
kosten niettemin onaanvaardbaar geacht. Op basis van dit uitgangspunt be-
reikte de commissie uiteindelijk overeenstemming over een uniform subsidie-
percentage van 95 voor alle bijzondere instellingen. Daarbij zag men in, dat
de financiële verhouding met het rijk bezwaarlijk meer in mathematische
formules was vast te leggen. Op voorstel van de instellingen zelf werd daarom
als norm voor subsidiëring de formule gekozen, 'dat door het Rijk een
bijdrage wordt verleend in de netto-kosten voor zover de universiteit daarbij
niet uitgaat boven hetgeen naar de maatstaf van de hier te lande heersende
opvatting tot uitrusting en bestand van een universiteit behoort'. Voor de
economische hogescholen werd de norm gekozen, 'dat het Rijk jaarlijks een
bijdrage van 95% verleent in de netto-kosten voor zover de hogeschool daar-
bij niet uitgaat boven hetgeen krachtens haar karakter redelijkerwijze moet
worden geacht te behoren tot uitrusting en bestand van een hogeschool'. Aan
de hand van deze normen werd een concept-wettekst opgesteld en najaar
1958 in de vorm van een eindrapport aan de minister aangeboden.^^'
Minister Cals, die inmiddels de voorbereiding van een nieuwe wet op het
hoger onderwijs nagenoeg had voltooid, toonde aanvankelijk weinig animo
om tussentijds nog een voorstel tot subsidieverhoging bij de Staten-Generaal
aanhangig te maken. Kort na het optreden van het kabinet-De Quay diende
hij echter op dringend verzoek van de bijzondere instellingen^^^ alsnog een
wetsvoorstel in om het subsidiepercentage voor de periode van 1 januari
1957 tot 1960 op 95 te stellen."^ Als wet van 30 juni 1960 bereikte dit
voorstel het staatsblad.^^^
III.6. De bekostiging in de wet WO
Het voorontwerp tot regeling van het wetenschappelijk onderwijs, dat minis-
ter Cals in 1959 aan de universiteiten en hogescholen toezond met verzoek
om commentaar, maakte onderscheid tussen de eisen voor erkenning, waar-
aan ter waarborging van de deugdelijkheid door de bijzondere instellingen
tenminste moest worden voldaan, en de overige voorwaarden voor bekosti-
ging.^^' Weliswaar golden de eisen voor erkenning ook als voorwaarden voor
221. Vrijwel tegelijk bracht ook de commissie financiering gemeenteUjke universiteit
(Amsterdam), die ook onder voorzitterschap van mr. 's Jacob stond, rapport uit. De
documentatie over de werkzaamheden van de eerste commissie-'s Jacob is slecht gearchi-
veerd. De belangrijkste nota's e.d. werden geput uit de archieven van de toenmaUge presi-
dent-curator van de VU, mr. dr. J. Donner.
222. Zie notulen curatoren VU dd. 7 november 1959, blz. 843.
223. Minister Cals baseerde zich daarbij op de regeringsverklaring van 23 oktober 1956.
Naast de verhoging van de subsidiepercentages hield het ontwerp tevens de beëindiging
van de mogelijkheid uit andere openbare kassen subsidies te ontvangen in; Bijlagen bij de
Handelingen II 1959-1960, no. 5863.
224. Wet van 30 juni 1960, Stb. 285.
225. Opgenomen in afdeling I, hoofdstuk IV van het voorontwerp.
131
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's