De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 82
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
name de wijzigingen van de HO-wet uit 1937 en 1939 van betekenis.''' Als
gevolg van deze wijzigingen konden nu ook de door de beide handelshoge-
scholen afgegeven getuigschriften de effectus civilis verwerven; deze effectus
civilis hield in, dat aan bezitters van deze getuigschriften de in 1937 bij de
wet gecreëerde rechten werden verschaft.
De functie van de aanwijzing van de bijzondere hogescholen verschilt van
de aanwijzing van de bijzondere universiteiten. Feitelijk bezaten de twee be-
staande hogescholen een monopoliepositie, terwijl de door hen afgegeven ge-
tuigschriften maatschappelijke erkenning bezaten. ^^^ Tot op zekere hoogte
betekende de wetgeving van 1937 en 1939 ook meer een bescherming van de
goede naam, die deze getuigschriften bezaten, tegen beunhazerij dan een
erkenning van de kwaliteit van het onderwijs. Daarom ook heeft de wetgever
aansluiting gezocht bij de feitelijk gegroeide situatie, waarin het hoger han-
delsonderwijs verkeerde;''^ wel betekende dit derhalve een erkenning van het
pionierswerk van de beide handelshogescholen.
De vermelde wetgeving uit deze periode bracht geen uitbreiding van de
voorwaarden voor erkenning en aanwijzing van het bijzonder hoger onderwijs
en is uit dien hoofde voor ons onderzoek van beperkte betekenis. Wel van
betekenis was de wetgeving terzake van de bekostiging van de bijzondere
universiteiten en hogescholen uit de jaren 1948, 1952 en 1956; daarop zal in
het volgend hoofdstuk uitvoerig worden ingegaan.
II.5. De wet op het Wetenschappelijk Onderwijs (wet WO)
II. 5.1. De wordingsgeschiedenis
Gedurende de bezettingstijd bezonnen velen zich op de structuur en organi-
satie van het hoger onderwijs; de HO-wet werd langzamerhand als sterk ver-
ouderd ervaren, zoals spoedig na het einde van de tweede wereldoorlog bleek
uit een springvloed van publicaties.^^'* Om aan de meningsvorming enige
151. Bij de wet van 22 april 1937, Stb. 321, verkreeg het gehele handelsonderwijs een
wettelijke basis, nadat al sedert de eeuwwisseling een controverse had bestaan over de
vraag of het handelsonderwijs moest worden beschouwd als beroepsonderwijs of niet. In
1902 besteedde een staatscommissie aandacht aan dit vraagstuk. Kuyper zag het hoger
handelsonderwijs meer als een vorm van wetenschappelijk onderwijs dan als beroeps-
onderwijs, getuige zijn voorstel om het bestaan van een handelshogeschool in de HO-wet
te vermelden.
Op 21 mei 1915 werd een wetsontwerp ingediend tot regeling van het vakonderwijs,
waartoe werd gerekend het handelsonderwijs; dit wetsontwerp leed echter schipbreuk.
Ook in 1937 is nog oppositie gevoerd tegen het opnemen van het handelsonderwijs in de
Middelbaar-Onderwijswet en de HO-wet; zie o.a. Handelingen II 1936—1937,
blzz. 1767 e.v.
152. Zieblzz. 34 en 70.
153. De wetgever voegde aan titel III HO-wet een nieuw hoofdstuk VA toe, bestaande
uit de artt. 200 bis tot 200 octies.
In art. 76 HO-wet werd na de opsomming van de vijf bestaande faculteiten de faculteit
der economische wetenschappen vermeld; daarmee werd de aan de Gemeentelyke Univer-
siteit van Amsterdam bestaande situatie gesanctioneerd.
154. Deels vermeld bij mr. N.F. Hofstee: 'Organisatie en bestuur der universiteit', 1950,
ac.pr. Groningen, blzz. 118 e.v.; zie ook 'De VU in oorlogstijd', 1945.
72
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's