De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 100
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
studenten de grondslag van de VU zouden ondertekenen; wie niet aan deze
voorwaarde voldeed werd niet ingeschreven. De criteria voor weigering van
de inschrijving lagen als regel in het kwaUtatieve vlak; zouden echter kwanti-
tatieve overwegingen tot weigering van de toegang hebben geleid dan zouden
de bijzondere instellingen ook daartoe bevoegd zijn geweest. In het hoger
beroepsonderwijs, dat voor het overgrote deel uit bijzondere onderwijsinstel-
Ung^n bestaat, zijn belemmeringen van de toegang op kwantitatieve gronden
ook nu nog meer regel dan uitzondering.
Ontegenzeggelijk betekent het instellen van de numerus fixus een belem-
mering van de vrijheid van studiekeuze. Een belemmering, die - ongeacht de
vormgeving van de beperking van de inschrijving: door wachtlijsten, loting of
anderszins - voor wie op zijn beurt moet wachten om te worden toegelaten
tot een wetenschappelijke studie tot een soms zeer traumatische ervaring kan
uitgroeien. Voor de overheid en zeker ook voor de bijzondere instellingen,
vooral de confessionele daaronder, is een belangrijke taak weggelegd bij het
verzachten van deze ervaring.
Te vermijden is het instellen van een numerus fixus intussen niet. Wel heeft
de grondwetgever de instructie vastgelegd, dat voldoende openbaar algemeen
vormend lager onderwijs wordt gegeven, maar ten aanzien van het openbaar
wetenschappelijk onderwijs zou een soortgelijke opdracht onuitvoerbaar zijn.
In de Grondwet komt zij dan ook niet voor. Bij meerdere gelegenheden is er
op gewezen, dat de voor het geven van wetenschappelijk onderwijs beschik-
bare mankracht beperkt is.^^" Als gevolg daarvan kan — gesteld, dat de daar-
toe benodigde financiële middelen aanwezig zouden zijn; quod non! — de
opleidingscapaciteit van universiteiten en hogescholen bij een gelijkblijvende
kwaliteit niet onbegrensd worden uitgebreid. Bij een aanzwellende studen-
tenstroom komt onvermijdelijk het moment, waarop de overheid zich voor
de keuze gesteld ziet om de capaciteit van het wetenschappelijk onderwijs
ten koste van de kwaliteit op te voeren, dan wel om de studentenstroom in
te dammen. Men kan twisten over de vraag wanneer de overheid voor deze
keuze komt, maar gegeven de uitgangspunten is een keuze uiteindelijk niet te
vermijden.
Dit dilemma vertoont overeenkomst met de situatie rond de eeuwwisse-
Hng, toen de wetgever te beslissen had over de toekenning van de effectus
civilis aan bijzondere universiteiten. In het belang van de handhaving van de
kwaliteit van de wetenschappelijke opleiding koos de wetgever toen voor
beperking van de grondwettelijk aan de bijzondere universiteiten gewaar-
borgde vrijheid van onderwijs. Dit bewijst, dat de wetgever geneigd is om de
kwaliteit van het onderwijs ten koste van veel andere zaken te handhaven;
geen wonder, dat toen de wetgever in 1972 uiteindelijk de kwaliteit van
openbaar en bijzonder wetenschappelijk onderwijs had af te wegen tegen het
belang van de vrijheid van studiekeuze - een vrijheid, die anders dan de vr^-
heid van onderwijs wettelijk noch grondwettelijk werd gewaarborgd — de
wetgever geheel in de lijn van 1905 wederom het handhaven van de kwaliteit
van het onderwijs boven de vrijheid van studiekeuze stelde.
230. Zie o.a. mr. H. Drop: 'De Onderwijsraad gehoord', ac.pr.Leiden, 1963,
blzz. 120-130.
88
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's