De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 207
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
Nu laat zich denken, dat de wetgever het met een beslissing van de rechter
inzake de toetsing van een lagere regeling aan de wet of de Grondwet niet
eens is. De wetgever kan dan het door de rechter verworpen lagere voor-
schrift in een wet opnemen en aldus voor de rechter onaantastbaar maken.
Het Goudse rijschoolarrest en het gevolg daarvan biedt een goed voorbeeld
terzake. Eerst sprak de Tweede Kamer als haar oordeel uit, dat de wetgever
niet zonder meer het oordeel van de rechter naast zich neer kan leggen.^'
Daarmee bedoelde deze Kamer aan te geven, dat wanneer de rechter een be-
paalde regeling met de Grondwet in strijd acht het de wetgever niet past om
— het oordeel van de rechter terzijde schuivend — dezelfde materie op
dezelfde wijze bij onschendbare wet te regelen. Het is op zichzelf juist, dat
de wetgever het oordeel van de rechter niet zonder meer naast zich neer kan
leggen. Dit 'zonder meer' laat echter ruimte voor de mogelijkheid, dat de
wetgever de zaak op grond haar eigen verantwoordelijkheid opnieuw be-
oordeelt. De kans bestaat, dat zij daarbij tot een ander oordeel dan de
rechter komt en zich gerechtigd acht om zonder met de Grondwet in strijd te
komen de zaak in kwestie bij de wet te regelen. Tot een eigen oordeel is de
Tweede Kamer inzake het Goudse rijschoolarrest niet gekomen ;^^ op grond
van voornamelijk de uitspraak van de rechter is in 1972 het onderwijsartikel
in de Grondwet gewijzigd.^^
Het voorgaande wettigt de conclusie, dat het voor het bijzonder onderwijs
geen schade behoeft te betekenen, wanneer de wetgever de exphciete be-
voegdheid zou verwerven om het geven van een nadere uitwerking aan zijn
voorschriften te delegeren. Bovendien is, naar ook de Raad van State heeft
opgemerkt, nooit gebleken, dat de tot dusverre gedelegeerde bevoegdheden
ten nadele van het bijzonder onderwijs zijn gebruikt.
IV.2.4. Wie geniet vrijheid van onderwijs?
De Grondwet bepaalt, dat het geven van onderwijs vrij is. Daarbij valt op, dat
de redactie van het onderwijsartikel enigszins verschilt van die van de overige
grondrechtenartikelen. Het kabinet-Den Uyl merkte op, dat deze artikelen
door hun woordgebruik — 'allen','"* 'ieder','' 'niemand"* of 'de ingezete-
nen"' — primair aan natuurlijke personen doen denken.'* Van Krefeld heeft
mede daaraan de conclusie verbonden, dat 'niet-individuele "personen"
principieel niet uit eigen hoofde drager van de grondrechten zijn'." Zeker
voor de vrijheid van onderwijs gaat deze stelling echter niet op. Het onder-
wijsartikel in de Grondwet is neutraal geformuleerd en houdt geen aan-
51. Vgl. prof. mr. H.J.M. Jeukens: 'De wetten zijn onschendbaar', blz. 18.
52. Zie Bijlagen bij de Handelingen H 1962-1963, no. 6900 nr. 66 blz. 2; Bijlagen bij
de Handelingen U 1962-1963, nos. 6945 en 6946 nr. 5 blz. 4.
53. Wet van 10 februari 1972, Stb. 106.
54. Art. 4 van de Grondwet.
55. Artt. 5, 8 en 181 van de Grondwet.
56. Art. 7'van de Grondwet.
57. Art. 9 van de Grondwet.
58. Bijlagen bij de Handeüngen H 1975-1976, no. 13872 nr. 3 blz. 11.
59. T.a.p. blz. 130; vgl. par. III.9.6.
195
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's