De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 191
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
de bijzondere bij de bestuurshervorming te betrekken. Die overweging was,
dat, terwijl aan de openbare instellingen een nieuwe bestuursvorm werd op-
gelegd, zonder een gelijke regeling met betrekking tot de bijzondere in-
stellingen de zaak daar gemakkelijk uit de hand zou kunnen lopen."*
Als laatste is nu te onderzoeken, welk verband bestond tussen de beperking
van de vrijheid van de bijzondere instellingen en de bekostiging. Men kan
daarover kort zijn: de bestuurshervorming houdt geen verband met de be-
kostiging; zij levert geen verlaging van de uitgaven of een verhoging van de
bestuurlijke of financiële doelmatigheid op. Ook van de zijde van de overheid
is nimmer gesteld, dat dat het geval zou zijn; van die kant is echter wel ge-
sproken over het verband, dat zou bestaan tussen de erkenning van de
bijzondere universiteiten en hogescholen en de bestuurshervorming.'*'^^
Gesteld, dat een dergelijk verband tussen de bestuursvorm en de deugde-
lijkheid van het onderwijs zou bestaan, dan heeft de wetgever daaraan toch
niet de consequentie verbonden, dat de WUB een voorwaarde voor erkenning
behoort te zijn.
Men zou zich kunnen afvragen of de overheid de bijzondere instellingen
een bestuurshervorming wellicht uit ideële overwegingen heeft wdllen opleg-
gen. Van Krefeld merkt op: 'Een overheid die de zelfontplooiing van de
individu, met name ook van de maatschappelijk achtergestelden, centraal
stelt, zal naar verdere democratisering moeten streven . . . Het is nood-
zakelijk en geoorloofd voor de overheid het subsidiebeleid daarop af te
stemmen'.'*''^ Nu verkeert Van Krefeld in een bijzondere positie, omdat hij er
van uitgaat, dat de grondrechten alleen voor natuurlijke en niet voor rechts-
personen gelden."*'^ Met name bij de vrijheid van onderwijs kan deze opvat-
ting echter tot kortsluitingen leiden. Juist daar doet zich dan ook de vraag
voor of de overheid, de zelfontplooiing centraal stellende, dit doel ook aan
anderen mag opleggen. Als de overheid aldus gaat beslissen 'waar het op aan
komt' dan raakt de vrijheid van richting van het bijzonder onderwijs — dat
wil zeggen de vrijheid om zelf te beslissen 'waar het op aan komt' — in het
gedrang. Aan de subsidie-verhouding in het algemeen en zeker bij het onder-
wijs ligt ten grondslag, dat de gesubsidieerde een eigen rangorde van waarden
kent en dat deze zal worden gerespecteerd door de subsidiegever.''^'' Indien
aan de gesubsidieerde de vrijheid die rangorde van waarden ook bij de organi-
satie van de gesubsidieerde activiteiten te doen gelden, wordt ontnomen, om-
dat daardoor beweerdelijk 'verdrukt of achtergesteld' wordt, dan legt de
overheid dwingend haar rangorde van waarden op. Van de geestelijke vrijheid
- en daar gaat het bij de vrijheid van richting om — is dan niet veel meer
over.
Van Krefeld spreekt zich later genuanceerder uit;*''' Van der Burg meent,
dat in het algemeen uit een begrotingspost niet kan worden afgeleid, 'dat
470. Vgl. eveneens par. III.9.3.
471. Blzz. 16-17 van de Memorie van Toelichting bij het ontwerp-Veringa.
472. T.a.p. blz. 139.
473. Zie ook par. IV. 2.4.
474. Vgl. par. III.3.2.
475. T.a.p. blzz. 138-144.
179
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's