Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 67

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 67

Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam

3 minuten leestijd

effectus civilis bezit krachtens zijn hoogheidsrecht.*^ De Savomin Lohman

bracht daartegen in, 'dat de toekenning van den effectus civilis aan de bij­

zondere universiteiten voldoet aan de door gezond staatsrecht gestelde

eischen (. . .) Het komt in deze alleen aan op de vraag of de waarborgen

voldoende zijn; van rechtschennis is geen sprake'.

Hier ligt de kern van de zaak; de vraag is of de door de wetgever geformu­

leerde voorwaarden voor aanwijzing van een bijzondere universiteit voldoen­

de zijn om de kwahteit van het onderwijs genoegzaam te waarborgen. Wat in

dit verband 'genoegzaam' mag heten is een zaak van subjectieve beoordeling;

zo achtte het kamerlid R oëll de kwaliteit van het onderwijs aan bijzondere

universiteiten onvoldoende gewaarborgd, wanneer de effectus civilis zou

kunnen worden toegekend aan instellingen met maar drie faculteiten.''' In

meerderheid achtten de Staten­Generaal en de Kroon de navolgende voor­

waarden voor aanwijzing van bijzondere universiteiten voldoende waarborg

voor de kwaliteit van het onderwijs:

— de aanwijzing kon slechts geschieden op grond van een daartoe strek­

kend verzoekschrift van het bestuur der instelling, stichting of vereniging, ^^

waarvan de bijzondere universiteit uitging. Met dit verzoekschrift moesten

worden overgelegd: de statuten van de rechtspersoon, de akte of het regle­

ment van oprichting, een bewijs van voldoende kredietwaardigheid'^ en een

promotiereglement. De wet bepaalde tevens welke voorschriften de statuten,

de akte of het reglement van oprichting tenminste dienden te bevatten.'''*

— een bijzondere universiteit moest minstens drie van de vijf in de HO­wet

genoemde faculteiten tellen. Elk van die drie faculteiten mocht niet minder

dan drie hoogleraren omvatten; in iedere faculteit moest onderwijs worden

gegeven in alle vakken, waarin werd geëxamineerd voor de verkrijging van de

in de aanwijzing vermelde doctorale graden.

De aanwijzing kon worden ingetrokken, indien een aangewezen bijzondere

universiteit niet binnen 25 jaar met een vierde, c.q. vijfde faculteit zou zijn

uitgebreid; telde een bijzondere universiteit ten tijde van de aanwijzing

slechts drie faculteiten, dan diende zij binnen 50 jaar met een vijfde te

worden uitgebreid.'^

— een bijzondere universiteit moest, evenals de rijksuniversiteiten en de

bijzondere leerstoelen, onder toezicht staan van een college van curatoren,

69. Deze opvatting is ook verdedigd door Van der Donk. In Engeland heeft nog onlangs

Christie — in zijn eerdergenoemd artikel, blz. 30 — zich verdiept in de vraag of 'the grant­

ing of degrees is part of the royal prerogative'. Hij concludeert, dat het recht graden te

verlenen in Engeland geen onderdeel is van het hoogheidsrecht van de Kroon.

70. Handelingen II 1904­1905, blzz. 1074 e.v.

71. Handelingen II 1903­1904, vergadering van 17 februari 1904.

72. Hoewel niet toegelicht is aan te nemen, dat deze bepaling verband hield met de

(financiële) aansprakelijkheid en duurzaamheid van bijzondere universiteiten. Dat alleen

rechtspersonen zonder winstoogmerk voor aanwijzing in aanmerking kwamen zal verband

houden met de bescherming tegen commerciële instellingen, zoals de britse 'degree mills'.

73. Een bedrag van f 100 000 moest vrij en onbezwaard worden gereserveerd; blijkens

de toelichting zou dit bedrag in moeüijke tijden met goedkeuring van de regering mogen

worden aangesproken,

74. Artt. 185 en 187 HO­wet 1905.

75. Artt. 186subaeni,jO artt. 131, 132 en 199 HO­wet 1905.

57

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 67

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's