Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 233

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 233

Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam

2 minuten leestijd

V. Nabeschouwing en conclusies

Het onderwijsbeleid van Koning Willem I en zijn regering was in de periode

tot 1830 gericht op de verwezenlijking van een monopolie van de gemengde

staatsschool. Tegen dit beleid richtte zich een volksbeweging, die zich inzette

voor vrijheid van onderwijs. Die vrijheid zou in de eerste plaats moeten om-

vatten de vrijheid van richting, dat is de vrijheid om te bepalen welke gezind-

te of welke levensbeschouwing het onderwijs is toegedaan. Zij werd aanvan-

kelijk vooral toegespitst op de vrijheid om zelf de leermiddelen te kiezen en

de vrijheid van de benoeming van onderwijzers; deze beide staan sedert 1917

uitdrukkelijk in de Grondwet vermeld. Ook als uitvloeisel van de vrijheid van

richting zijn te beschouwen de vrijheid van leermethode, van inrichting van

het onderwijs en van het bestuur. De vrijheid van onderwijs omvat derhalve

alle aspecten van het onderwijs.

In 1848 is de vrijheid van onderwijs in de Grondwet verankerd. Daarbij is

eerst vooral gesproken van de vrijheid om onderwijs te geven met als duide-

Ujk oogmerk, dat door het naast elkaar stichten van verschillende scholen de

mogelijkheid van schoolkeuze zou ontstaan. De grondwetgever bepaalde

voorts, dat het openbaar onderwijs voortaan ieders godsdienstige begrippen

zou moeten eerbiedigen. Dit heeft geleid tot de neutraliteit van het openbaar

onderwijs.

In vergelijking tot het lager onderwijs genoot het hoger onderwijs ook vóór

1848 een opvallend grote vrijheid. Op grond van de Grondwet 1848 kwam in

1876 voor het eerst een wet op het Hoger Onderwijs tot stand, waarin de

vrijheid 'om een bijzondere school van hoger onderwijs te openen' werd er-

kend. Doch de wet onthield aan het bijzonder hoger onderwijs de effectus

civilis, dat is de bevoegdheid op te leiden tot de uitoefening van verschillende

in de HO-wet en andere wetten genoemde ambten en bedieningen. Dienten-

gevolge verkreeg het bijzonder hoger onderwijs slechts een geringe maat-

schappelijke betekenis en levensvatbaarheid.

De wetgever van 1876 ging overeenkomstig het grondwettelijk vereiste van

de eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen uit van een waarden-vrije

wetenschap. Zelfs het onderwijs in de faculteiten der godgeleerdheid bij de

openbare universiteiten zou niet langer leerstellig mogen zijn. Tegen dit

standpunt richtte zich de in 1878 opgerichte Vereniging voor Hoger Onder-

wijs op Gereformeerde Grondslag,' die in 1880 te Amsterdam de Vrije Uni-

1. Thans de Vereniging voor Wetenschappelijk Onderwijs op Gereformeerde Grondslag.

221

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 233

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's