De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 98
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
De Nijmeegse universiteit verzette zich heftig tegen het ontwerp-Diepen-
horst. Volgens dit wetsvoorstel zouden bij algemene maatregel van bestuur
regels tot beperking van de inschrijving van studenten in de geneeskunde en
de tandheelkunde kunnen worden gesteld. Deze regels zouden tevens gelden
als voorwaarden voor erkenning en bekostiging, waaraan de bijzondere
universiteiten ter waarborging van de deugdelijkheid zouden moeten vol-
doen.22^
Tegen zodanige voorwaarden voor erkenning en bekostiging maakte de
Onderwijsraad bezwaar.^^^ De raad meende, dat krachtens de Grondwet eisen
van deugdelijkheid alleen bij de wet gesteld kunnen worden. Een delegatie
door de wetgever van de bevoegdheid om eisen van deugdelijkheid aan het
bijzonder wetenschappelijk onderwijs te stellen zou daarom zijn uitgesloten.
Bijzondere universiteiten zouden derhalve niet verplicht kunnen worden tot
naleving van voorwaarden, die niet in de wet zelf staan. Hoewel voor dit be-
zwaar van de Onderwijsraad wel iets te zeggen valt,'^^* zijn de regering en de
Tweede Kamer daarop niet verder ingegaan.
Van groter betekenis is, dat ook de beide bijzondere universiteiten Zich
tegen het ontwerp-Diepenhorst verzetten. Voor het eerst sinds 1905 dreigde
de situatie te ontstaan, dat een voorwaarde voor erkenning en bekostiging
niet op voet van vrijwilligheid door de bijzondere universiteiten zou worden
aanvaard.^^^ De vraag is dan ook of deze nieuwe voorwaarde niettemin nood-
zakelijk was om de kwaliteit van het bijzonder medisch wetenschappelijk
onderwijs te kunnen handhaven. Minister Diepenhorst betoogde, dat de groei
van de onderwijsvoorzieningen geen gelijke tred had gehouden en kon
houden met de groei van de studentenaantallen en dat daarom de kwaliteit
van het onderwijs wel moest afnemen. Hij meende, dat als gevolg hiervan de
kwaliteit van het onderwijs nog in 1966 in gevaar dreigde te komen. De VU
was bereid dit betoog te volgen en vrijwillig het opleggen van deze
nieuwe voorwaarde voor erkenning te aanvaarden. De KU was daartoe
echter niet bereid en betwistte de noodzaak van de numerus fixus. Hier
wreekte zich de opstelling van de wetgever uit 1960, die de bijzondere in-
stellingen het vertrouwen had geschonken, dat de kwaliteit van het onderwijs
ook zonder toezicht gehandhaafd zou worden, en tegelijk de overheid de
instrumenten had ontnomen om de kwaliteit van het onderwijs aan de
bijzondere instellingen te toetsen. Tegen de opstelling van de KU had de
overheid dan ook in feite slechts één, nogal zwaar verweer: intrekking van de
erkenning op grond van art.-96 wet WO.
Terugblikkend is het gelukkig geweest, dat de Tweede Kamer de numerus
fixus in 1966 afwees. In de eerste plaats, omdat die achteraf nog niet nodig
bleek, maar ook, omdat daarmee een confrontatie tussen overheid en KU
werd vermeden. Zou het ontwerp-Diepenhorst zijn aanvaard dan zou de KU
zich voor de keuze gesteld hebben gezien om de numerus fixus als een
224. Vgl. art. 16 wet WO; zie par. II.5.3., zie voorts art. 3 van het voorontwerp-Diepen-
horst dd. 15 december 1965, DGW 134941.
225. Zie het advies van de raad dd. 23 december 1965, OR 218 HO.
226. Zie daarover par. IV.2.3.
227. Zie par. II.3.2.
86
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's