De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 181
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
neren, terwijl het dagelijks bestuur in handen van een college van bestuur zou
worden gelegd. Op soortgelijke wijze zouden ook de faculteiten en afdelin-
gen worden bestuurd door raden en uit die raden gekozen besturen; de leer-
stoelen binnen de faculteiten en afdelingen zouden opgaan in vakgroepen, de
kleinste organisatie-eenheden van het onderwijs en de wetenschapsbeoefe-
ning. De colleges van curatoren zouden geheel verdwijnen en de academische
senaten worden vervangen door colleges, bestaande uit de dekanen der facul-
teiten^^" en de rector magnificus.'*^' Volgens het voorontwerp zou de be-
stuurshervorming een tijdelijke werking van slechts zes jaar moeten krijgen.
Het voorontwerp hield maar heel beperkt rekening met de positie van de
bijzondere instellingen: de benoeming van ten minste één zesde van het aan-
tal leden van de universiteits- of hogeschoolraad en de benoemingen van één
of twee leden van het college van bestuur, de benoemingen van hoogleraren,
lectoren en de rector magnificus zou aan de besturen van de rechtspersonen,
waarvan de bijzondere insteUingen uitgingen, blijven voorbehouden; wat be-
treft de rijksinstellingen zouden al deze benoemingen door de minister of de
Kroon dienen te geschieden. Ook de goedkeuring van de bestuurs- en kies-
reglementen van de bijzondere instellingen zou niet door de minister, maar
door de besturen van de instellingen geschieden.'*^^
III.9.3. Kanttekeningen van de bijzondere instellingen
Tien dagen na het verschijnen van het voorontwerp boden de besturende
colleges van de VU de minister een nota 'Kanttekeningen bij het vooront-
werp"*^^ aan. Daarin stond centraal de vraag of het in het voorontwerp ge-
geven uniforme grondpatroon voor het bestuur van openbare en bijzondere
instellingen van wetenschappelijk onderwijs' voor deze laatsten wel aanvaard-
baar kon zijn.
De nota begon met er op te wijzen, dat nog kort tevoren in het 100%-ont-
werp''^'* was bepaald, dat de besturen van de rechtspersonen, waarvan de
bijzondere instellingen uitgingen, regelen inzake de organisatie van de univer-
siteit of de hogeschool vast stellen en deze aan de minister ter kennis
brengen."*^' De minister zou op grond van de voorgestelde bepaling van deze
regelen uitsluitend kennis kunnen nemen; meer bevoegdheden zou hij ten
aanzien daarvan niet verkrijgen. Het voorontwerp betekende daarom een
duidelijke breuk met de bestaande en zelfs de voor de nabije toekomst te
verwachten wetgeving.
420. De voorzitters van de faculteitsraden en -besturen; alleen hoogleraren of lectoren
zouden dekaan kunnen zijn.
421. De rector magnificus zou ambtshalve Ud zijn van het college van bestuur.
422. Zie artt. 22 lid 3; 31 leden 1, 4 en 5; 32 lid 4; 34 lid 5 inzake de benoemingen;
artt. 24 lid 2 en 25 voorontwerp inzake de reglementen.
423. Nota dd. 24 februari 1970; opgesteld door de oud-president-curator van de VU,
mr. dr. J. Donner. Zie Archief directeuren VU, dossier Voorontwerp WUB 1970,
no. 1.11.
424. Ziepar. III.7.4.1.
425. Art. 93 lid 2 wet WO, zoals dit thans luidt: 'Zij stellen regelen vast inzake de orga-
nisatie van de universiteit of het academisch ziekenhuis, of van de hogeschool, alsmede
inzake het doelmatig beheer van de financiën en de roerende en onroerende zaken'.
169
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's