De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 68
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
bestaande uit drie of vijf leden. Dit college was gehouden de minister de
nodige inlichtingen te verschaffen; het moest worden gehoord over de toe-
kenning van beurzen uit 's Rijks kas aan studenten van de bijzondere univer-
siteit.''^
— voor toelating tot de examens aan een bijzondere universiteit werden
dezelfde eisen gesteld als voor toelating tot de examens aan de rijksuniversi-
teiten. De voorwaarden voor het verkrijgen van een graad verschilden echter:
wel moesten dezelfde faculteitsexamens worden afgelegd, maar tevens
moesten de promoties anders dan aan de rijksuniversiteiten, steeds in het
openbaar worden afgelegd. Met het oog op mogelijke concurrentie van de
bijzondere universiteiten mochten de college- en examengelden niet lager zijn
dan aan de rijksuniversiteiten. Doctoraten mochten bovendien pas worden
uitgereikt, nadat de aanstaande doctoren aan al hun financiële verpUchtingen
jegens de bijzondere universiteit hadden voldaan.''''
— aan een bijzondere universiteit mocht alleen worden onderwezen door
bevoegde docenten, te weten zij, die aan een rijksuniversiteit hun getuig-
schrift hadden verkregen of in het bezit waren van een daarmee gelijkgesteld
getuigschrift. De aanstelling van docenten, die niet in het bezit waren van een
dergelijk getuigschrift, behoefde de goedkeuring van de Kroon.
Het bestuur van de rechtspersoon werd belast met het toezicht op de be-
noeming docenten. Dit bestuur werd ook belast met de zorg voor de rechts-
positie van de docenten.''^
Wanneer een bijzondere universiteit was aangewezen als bevoegd tot het
verlenen van doctorale graden met effectus civilis, dan moest zij blijvend aan
een aantal verdere voorwaarden voldoen: reglementswijzigingen, jaarversla-
gen en een jaarlijks overzicht van de financiële situatie moesten aan de
minister van Binnenlandse Zaken ter kennis worden gebracht. Aan de in
1905 ingestelde commissie van toezicht'^ moest te allen tijde toegang tot de
universiteit worden verleend.
Een aanwijzing kon, de Raad van State gehoord, steeds worden ingetrok-
ken onder meer wanneer niet-bevoegde docenten zouden worden belast met
het geven van onderwijs; wanneer geen toegang zou worden verleend aan de
commissie van toezicht of wanneer een bijzondere universiteit niet tijdig met
een vierde of vijfde faculteit zou zijn uitgebreid." Opmerking verdient in-
tussen, dat de faculteit der godgeleerdheid wel meetelde als faculteit bij de
aanwijzing van een bijzondere universiteit, maar voor het overige niet viel
onder de bepahngen van de HO-wet.
Aan een aanwijzing waren voor een bijzondere universiteit nog drie rechten
verbonden. In de eerste plaats konden door de senaat van een bijzondere
universiteit met koninklijke machtiging eredoctoraten worden verleend.
Voorts kon aan het bestuur van de rechtspersoon, waar de bijzondere univer-
76. Artt. 186 sub c, 192 en 198 HO-wet 1905.
77. Art. 186 sub e, f.genh HO-wet 1905.
78. Artt. 186 sub d, 188, 189 en 190 HO-wet 1905.
79. De werkzaamheden van de commissie werden nader geregeld bij KB van 18 septem-
ber 1905, Stb. 273.
80. Art. 199 HO-wet 1905.
58
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's