De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 32
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
een middel tot een doeI;*'* de vrijheid van onderwijs vormt derhalve het
kernrecht, de vrijheid van schoolkeuze een daarmee connex recht.''*'
Haar, wat men noemt klassieke of liberale karakter ontleent het grondrecht
van de vrijheid van onderwijs aan haar vrijheidskarakter, gericht op de beper-
king van overheidsbemoeienis. Nu achtten velen in de periode vóór 1848
— maar ook daarna was deze opvatting wijdverbreid — overheidsbemoeienis
met het onderwijs in 's lands belang. De vestiging van het onderwijsmonopo-
He was in belangrijke mate ingegeven door de paternahstische, verlicht-despo-
tische opvattingen van Koning Willem I. Vóór alles moest de kwaliteit van het
onderwijs in het belang van de staat gewaarborgd zijn. Het belang van de
staat stond voorop. Vergelijkt men dit uitgangspunt met de huidige opvattin-
gen, dan stelt men vast, dat een omkering heeft plaats gevonden: het geven
van goed onderwijs moet in de allereerste plaats worden bevorderd in het
belang van de onderwezenen zelf.''*'^ Toch betekent dit niet dat de staat in
het geheel geen taak meer zou hebben bij de bescherming van de belangen
van de onderwijsontvangers. Er bestaat een blijvende verantwoordelijkheid
van de overheid voor de kwahteit van het gehele onderwijs — openbaar en
bijzonder. Die verantwoordelijkheid komt tot uitdrukking in de beperkingen
van de vrijheid van onderwijs.
1.5.3. De beperkingen van de vrijheid van onderwijs
De grondwetgever van 1848 heeft de onderwijsvrijheid op tweeërlei wijze
beperkt. De eerste beperking betreft het onderzoek door de overheid naar de
bekwaamheid en zedelijkheid van onderwijzers bij het bijzonder lager en
middelbaar onderwijs. Deze beperking heeft een positieve bedoeling, gericht
op 'een zinvol en op de huidige maatschappelijke verhoudingen afgestemd
gebruik' van de vrijheid van onderwijs.''*^ Niemand is gebaat bij een bijzonder
onderwijs door onbekwame onderwijzers en uit dien hoofde heeft met name
Thorbecke steeds beoogd om waarborgen te scheppen, dat ook zij, die in
vrijheid het beroep van onderwijzer wensten uit te oefenen, daartoe
voldoende bekwaam zouden zijn. Hij wenste dat vooral opdat 'de werkzaam-
heid der Staatsmagt, en die der bijzondere leden, voor de daarstelling van het
onderwijs elkander wederkeerig bevorderen'.''*^ De regering onderschreef in
1848 dit standpunt door te verklaren, dat één van de grondslagen van het
bijzonder onderwijs zou kunnen zijn 'eene mededinging met het openbaar
onderwijs', die 'zoo doende ijver, inspanning en verbetering uitlokt'.''*^
140. Vgl. de totstandkoming van de Grondwet van de Duitse Bondsrepubüek, waar de
Parlementarischer Rat 'es ablehnte das Eltemrecht zum Angelpunkt des Schulrechts zu
machen'; zie Betterman-Nipperdey-Scheuner: 'Die Grundrechte', deel IV/I, 1960 blzz.
402 e.v.
141. In de zin van mr. D.H.M. Meuwissen: 'De Europese conventie en het Nederlands
recht', ac.pr. GU Amsterdam, 1968. Burkens, blzz. 37, 141 e.v. ziet de connexe rechten
daarentegen als de ondersteunende elementen voor de verwezenlijking van dè kern-
rechten.
142. Vgl. de Savomin Lehman: 'Onze Constitutie', blz. 356.
143. Vgl. Burkens, blz. 9.
144. Aldus in 'Over het Bestuur', blz. 34.
145. Zie de Memorie van Toeüchting bij ontwerp no. X.
22
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's