De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 203
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
kwaamheid en zedelijkheid van de onderwijzers. Aanvankelijk beperkte deze
bevoegdheid zich tot het algemeen vormend lager en middelbaar onderwijs.
Op grond van de in de praktijk gebleken behoefte aan de mogelijkheid om
ook bij andere vormen van bijzonder onderwijs een dergelijk onderzoek naar
de bekwaamheid en zedelijkheid van de onderwijzers te kunnen instellen^'
werd gestreefd naar uitbreiding van de werking van deze beperking. In de
Proeve is nog voorgesteld om het wetenschappelijk onderwijs van een der-
gelijke meer uitgebreide bevoegdheid van de overheid uit te zonderen,^^ maar
in 1972 heeft de grondwetgever de mogelijkheid tot het instellen van een
onderzoek naar de bekwaamheid van de zedelijkheid van de onderwijzers
niettemin uitgebreid tot alle bij de wet aangewezen vormen van onderwijs. ^^
Het kabinet-Den Uyl heeft voorgesteld om een derde grondwettelijke be-
perking van de vrijheid van onderwijs aan te brengen. Dit voorstel behelsde
de erkenning van de bevoegdheid van de overheid tot het stellen van regels
ter bescherming van de gezondheid. De voorgestelde nieuwe redactie van het
onderwijsartikel en daarmee ook dit voorstel strandde echter bij de behande-
ling door de Tweede Kamer in eerste termijn. ^^
IV.2.2. De voorwaarden voor erkenning en bekostiging
Een geheel andere beperking van de vrijheid van onderwijs vormen de voor-
waarden voor erkenning en bekostiging. Het betreft hier speciale restricties
van de onderwijsvrijheid, die echter alleen de vrijheid beperken van instellin-
gen, die deze beperkingen vrijwilHg hebben aanvaard.^^ In 1905 deden de
voorwaarden voor aanwijzing voor het eerst hun intrede in de wetgeving. Zij
mogen niet op gelijke voet met de grondwettelijke beperkingen van de vrij-
heid van onderwijs worden gesteld, want — hoezeer zij de vrijheid soms ook
beperken — zij hebben 'dit eigenaardige dat, wanneer men met dergelijke
conditiën geen genoegen neemt, men eenvoudig het subsidie', c.q. de
erkenning of aanwijzing 'weigert; dan heeft men met al die voorschriften en
regelen niets te maken'.^*
De wetgever stelt de voorwaarden voor erkenning en bekostiging vast, maar
om de redelijkheid van de voorwaarden te aanvaarden heeft de wetgever de
hulp van de bijzondere universiteiten en hogescholen nodig. In 1905 stond
de VU daadwerkelijk voor de keuze of de erkenning en daarmee een beper-
king van de onderwijsvrijheid moest worden aanvaard; in 1948 stonden de
vier aangewezen bijzondere instellingen terzake van de bekostiging voor een
zelfde keuze. Men dient intussen wel te beseffen, dat voor de bijzondere in-
31. Zie het Goudse rijschoolarrest; HR 10 december 1957, NJ 1958 no. 176.
32. Proeve van een nieuwe Grondwet, voorgesteld art. 6.
33. Wet van 10 februari 1972, Stb. 106; vgl. Eindrapport van de commissie Cals/
Donner, voorgesteld art. 7.
34. Dit deel van het voorstel tot grondwetsherziening werd weliswaar toegejuicht, maar
werd met de rest van het voorstel meegesleurd. Zie Bijlagen bij de Handelingen II
1975-1976, no. 13874; Handelingen II 1976-1977, blz. 2477.
35. Zie par. II.3.
36. Zie de behandeling van de wet tot wijziging van de LO-wet. Handelingen I
1904-1905, blz. 513; wet van 3 juni 1905, Stb. 151.
191
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's