De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 36
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
aan het hoofd te zijn van dit departement, zal niemand, die tot eene derge-
lijke oprigting wenscht over te gaan, eenig beletsel in den weg worden ge-
legd'. ^*'' Van de door de minister erkende vrijheid werd door verschillende
kerkgenootschappen gebruik gemaakt om seminaries of hogescholen op te
richten. Eén der eersten was de in 1854'^^ door de afgescheidenen opgerichte
Theologische Hogeschool te Kampen.'**'
In de periode van 1848 tot 1868 kwamen verschillende wetten tot stand,
die of wel rechtstreeks op het hoger onderwijs van toepassing waren dan
wel daarvoor van groot belang waren. In 1857 kwam een nieuwe Lager-
Onderwijswet tot stand, in 1863 volgde een Middelbaar Onderwijswet en in
1865 kwamen de voor het hoger onderwijs belangrijke geneeskundige wetten
in het Staatsblad.'*'' Van de genoemde wetten is met name de wet van 1857
voor de vrijheid van onderwijs van betekenis geweest, vooral wat betreft de
regeling van het overheidstoezicht en ten aanzien van de eerbiediging van
ieders godsdienstige begrippen.
1.6.2. De Lager-Onderwijswet 1857
De wet van 1857'*^ belastte met het toezicht op zowel de openbare als de
bijzondere lagere scholen plaatselijke schoolcommissies, district-schoolop-
zieners en provinciale inspecteurs.'*^ Terwijl de kamermeerderheid er terecht
op had gewezen, dat de Grondwet in deze geen onderscheid maakt, had het
kamerlid Mackay betoogd, 'dat, volgens de Grondwet, het toezigt op de
bijzondere school niet hetzelfde kan zijn als het toezigt is en behoort te zijn
op de openbare school. Het bijzonder onderwijs vereischt een ander toezigt
dan het openbaar onderwijs'.' Dit betoog heeft vrijwel geen weerklank
gevonden.
Het overheidstoezicht had tot doel om op de hoogte te blijven van het
onderwijzend personeel, het getal van de leeriingen en de staat van het onder-
wijs, zulks om 'de verbetering en den bloei van het schoolwezen te bevorde-
ren'.''" De leden van de schoolcommissies, de schoolopzieners en de inspec-
164. Handelingen II van 21 december 1850.
165. Het jaar daarvoor kwam de Wet op de Kerkgenootschappen, Stb. 1853, no. 102,
tot stand.
166. Zie 'Sola Gratia, 1854—1954', gedenkboek van de Hogeschool bij het eeuwfeest;
W. de Graaf e.a.: 'Een monument der Afscheiding', 1955.
167. De wet op de geneeskundige staatsregeling en de wet op de uitoefening der genees-
kunde; wetten van 1 juni 1865, Stb. 58, 59 en 60.
168. Zie over de totstandkoming van deze wet: mr. G. Groen van Prinsterer: 'Over het
ontwerp van wet op het lager onderwijs', 1857; 'Verspreide geschriften', 1859; 'Studiën
en schetsen ter schoolwetherziening', 1865; 'Hoe de schoolwet van 1857 tot stand kwam',
1876; Diepenhorst in 'Onze strijd'; prof. A. Goslinga: 'Conflict Groen-van der Brugghen',
1925; D. Langedijk: 'De schoolstrijd in de eerste jaren van de wet van 1857
(1857-1866)'.
169. Artt. 52-67 LO-wet 1857.
170. Zie mr. W. Francken NGz. en dr. J.J. van der Kloes: 'Wet van den 13 augustus
1857 (Stbl. no. 103) op het Lager Onderwijs met de daarover, vooral in de Tweede Kamer
der Staten-Generaal, gewisselde stukken en gehoudene beraadslagingen', 1858, blzz. 662
e.v.
171. Art. 67 LO-wet 1857.
26
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's