De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 157
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
wetenschappelijk onderwijs zou worden ingesteld.^^' In afwijking van het
Akkoord van Wassenaar meende de nieuwe regering, dat bij dit onderzoek
niet diende te worden uitgegaan van de mogelijkheid van financiƫle gelijkstel-
Hng, maar van het beginsel van gehjkwaardige ontwikkelingsmogelijkheden.
De nieuwe minister Bot meende zelfs, dat een tweeledig overleg met de
bijzondere instellingen noodzakelijk was.^' In de eerste plaats zou overlegd
moeten worden over het totstandbrengen van een interimregeling en ver-
volgens over de wenselijkheid van een blijvende verhoging van de subsidie-
percentages.
Men kan zich de vraag stellen of de bijzondere instellingen zich bij hun
eerste contacten met de nieuwe minister niet op het Akkoord van Wassenaar
hadden moeten beroepen en de onmiddellijke nakoming van dat akkoord in
de vorm van een tijdelijke subsidieverhoging hadden moeten verlangen. Langs
poUtieke weg zou dan aan zulk een verlangen kracht kunnen worden bijge-
zet. De bijzondere instellingen waren zelf geen deelgenoot aan het akkoord
en konden daarom alleen met behulp van de bij dat akkoord betrokken
kamerfracties op nakoming aandringen.^^' De bijzondere instellingen hebben
dat niet gedaan, maar zich aanvankelijk - zij het node en teleurgesteld - bij
de voorstellen van de minister neergelegd.^'^ In een later stadium, toen
wederom onenigheid tussen de minister en de instellingen ontstond, hebben
zij de minister echter meermaals te verstaan gegeven alsnog om volledige na-
leving van het Akkoord van Wassenaar te zullen vragen. Die dreiging heeft
toen zijn uitwerking niet gemist!
III.7.2. De interimregeling: 98,5%
Op 11 september 1964 ging het overleg tussen de bijzondere instellingen en
de overheid, vertegenwoordigd door ambtenaren van het departement, van
start.^'^ Minister Bot stond voor ogen, dit overleg in eerste aanleg te laten
uitmonden in een interimregeling, waarbij een aantal door hem als knel-
punten ervaren problemen tot een oplossing gebracht zou worden. Die oplos-
singen zouden als onderdeel van een blijvende wijziging van de subsidie-
regeling te gelegener tijd wettelijk worden vastgelegd, maar voor de duur van
de interimperiode zouden beide partijen bij gentlemen's agreement moeten
289. Handelingen II 1963, blz. 75. De regeringsverklaring werd uitgesproken op 31 juli
1963.
290. Op 31 juli 1963 richtten de bijzondere instellingen zich tot de minister met het
voorstel om uiterlijk per 1 januari 1964 de in het akkoord genoemde subsidieverhoging te
laten ingaan; Archief directeuren VU 1963, no. 457, dossier 4.21.1. De minister reageerde
in een overleg dd. 25 november 1963; zie verslagen VU en KU, Archief directeuren VU
dossier 4.21.1.
Tijdens de begrotingsbehandeling nam de minister een zelfde standpunt in; Handelingen
n 1963-1964, blzz. 741-765.
291. Zie ook preadviezen van o.a. mr. F.J.F.M. Duynstee over 'beleidsakkoorden';
studiedag februari 1977, Utrecht.
292. Zie brieven van mr. J. Algera (VU) namens de vier instellingen dd. 31 december
1963 en 1 juli 1964; Archief directeuren VU dossier 4.21.1.
293. Op voorstel van de minister stond dit overleg onder voorzitterschap van directeur-
generaal dl. A.J. Piekaar; brief dd. 26 mei 1964, DGW 109218.
145
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's