De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 148
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
gedragen 'voorzover de universiteit of hogeschool daarbij niet uitgaat boven
hetgeen naar de hier te lande heersende opvatting tot uitrusting en bestand
van een universiteit of hogeschool behoort'. Principieel betekende dit een be-
langrijke doorbraak, omdat nu overeenkomstig het advies van de commissie-
's Jacob het stelsel van de wet-Gielen werd vervangen door een vrij vage
norm.
Deze norm werd in een toehchting aldus gemotiveerd. De wet-Gielen met
zijn objectieve maxima ging indertijd uit van een fundamentele tenachterstel-
ling van het bijzonder hoger onderwijs bij het openbare. In het streven naar
financiële gelijksteOing werden de activiteiten van de bijzondere instellingen
aanvankelijk voor ten hoogste 85%, later voor 90% en nog later voor 95%
bekostigd. In plaats van deze tenachterstelling stelde het voorontwerp voor
om de bijzondere instelHngen voortaan naar de maatstaf van de openbare te
bekostigen. Daarbij werd niet gekozen voor een echte 'financiële gelijkstel-
hng', omdat die maatstaf voor het wetenschappelijk onderwijs nauwelijks
hanteerbaar werd geacht. Tussen de rijksuniversiteiten onderhng bestonden
al van oudsher grote verschillen in aanwezigheid en opbouw van de verschil-
lende studierichtingen, zodat het vrijwel onmogelijk zou zijn een objectieve
norm te vinden, waaraan de bijzondere instellingen gemeten zouden kunnen
worden.
Ondanks deze motivering besefte de minister zeer wel, dat ook de door de
commissie-'s Jacob voorgestelde norm zijn tekortkomingen had. Het zou
bijvoorbeeld denkbaar blijven, dat bepaalde voorzieningen weliswaar geheel
in het pakket van een bijzondere universiteit of hogeschool zouden passen,
maar toch naar de hier te lande heersende opvatting niet konden worden ge-
rekend tot uitrusting en bestand van een universiteit of economische hoge-
school. 'Men denke bijvoorbeeld aan een tandheelkundige sectie van een
faculteit der geneeskunde of aan een reactorinstituut, maar ook aan minder
kostbare voorzieningen, welke naar haar aard niet tot het normale bestand
kunnen worden gerekend. In dat geval geldt voor de subsidiëring de nadere
eis, dat de uitbouw naar het oordeel van de minister past in het geheel van de
voorzieningen voor wetenschap en wetenschappelijk onderzoek'.^'*^ Niet
alleen werd dus het objectief maximum vervangen door een maatstaf, die het
bijzonder wetenschappelijk onderwijs op gelijke voet met het openbare
plaatste, maar bovendien werd de mogelijkheid open gehouden om bij bij-
zondere instellingen voorzieningen en middelen te bekostigen, die nog boven
die algemene maatstaf zouden uitgaan.
Om te bereiken, dat de overheid toch voldoende invloed op de uitgaven
van de bijzondere instellingen zou behouden, stelde de minister in zijn voor-
ontwerp voor om te breken met het bestaande stelsel van subsidievaststelling
op basis van de werkelijke uitgaven. In plaats daarvan wenste hij voortaan
kassen slechts waren toegestaan indien de minister aan de ontvangst daarvan zijn goed-
keuring zou hebben gehecht; art. 110 lid 3 herzien ontwerp.
244. Dit citaat is ontleend aan de Memorie van Antwoord, blz. 4. Zie ook het verslag
van het mondeling overleg over het herzien ontwerp in juli 1960; Bijlagen bij de Handelin-
gen II 1959-1960, no. 2597 nr. 12, blzz. 3-6.
136
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's