De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 114
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
voegd, waarin stond, dat binnen drie jaar na afkondiging van de nieuwe
Grondwet wetsvoorstellen ter uitvoering van het nieuwe onderwijsartikel bij
de Staten-Generaal moesten zijn ingediend.^'* Met de uitvoeringvan deze be-
palingen werd in 1918 de nieuwe ministervan Onderwijs, Kunsten en Weten-
schappen, dr. J.Th. de Visser,^' belast.^^ Niet alleen zag hij kans om in een
tijdsbestek van minder dan drie jaar een nieuwe Lager-Onderwijswet voor te
bereiden, maar hij loodste zijn ontwerp zelfs binnen die tijd door de Staten-
Generaal: op 7 oktober 1920 aanvaardde de Eerste Kamer zonder hoofde-
üjke stemming het ontwerp-De Visser.'''
III.2.3. Het onderwijsartikel in de Grondwet van 1917
Van 1917 tot 1972 — toen het onderwijsartikel opnieuw werd gewijzigd —
luidde art. 192, later art. 208 van de Grondwet aldus:
'Het onderwijs is een voorwerp van aanhoudende zorg der Regeering.
Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht der Overheid, en
bovendien, voor zover het algemeen vormend^* zoowel lager als middelbaar
onderwijs betreft^', behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en de
zedelijkheid van den onderwijzer, een en ander bij de wet te regelen.
Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige
begrippen, bij de wet geregeld.
In elke gemeente wordt van Overheidswege voldoend openbaar algemeen
vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal scholen. Volgens
bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toege-
laten, mits tot het ontvangen van zoodanig onderwijs gelegenheid wordt ge-
geven.
De eischen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten deele uit de openbare
kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met in-
achtneming, voor zoover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van
richting.
Deze eischen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zoodanig
geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd
bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt ge-
waarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder
54. Additioneel art. XIII. Pas na veel aandringen van anti-revolutionairen en katholieken
werd dit artikel op 7 december 1916 in het ontwerp opgenomen; zie Cassianus Hentzen,
blzz. 169 en 199.
55. Zie ook blz. 55 noot 60. Voorts Q.A. de Ridder: 'Dr. J.Th. de Visser, een nationale
figuur', 1932.
56. Dit departement werd ingesteld bij KB van 25 september 1918, Stb. 551. Oorspron-
kelijk was dit ministerie als een tijdelijke zaak bedoeld; zie dr. W. Drees: 'Het Nederlands
Parlement, vroeger en nu', 1976.
57. Handelingen I 1920-1921, blz. 55; Stb. 1920, no. 778
58. De aanduiding 'algemeen vormend' werd gebruikt ter onderscheiding van het vak- of
beroepsonderwijs; vgl. eindrapport bevredigingscommissie 1916; voorts Huart: blz. 351.
59. De zinsnede 'voor zover het algemeen vormend zoowel lager als middelbaar onder-
wijs betreft' werd in 1972 gewijzigd in: 'voor wat bij de wet aangewezen vormen van
onderwijs betreft'; wet van 10 februari 1972, Stb. 106.
102
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's