De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 173
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
geven; in het merendeel van de gevallen lag het initiatief voor een wijziging
van de vigerende bekostigingsregeling ook bij de bijzondere instellingen zelf.
Grondslag voor de raadpleging van de bijzondere instellingen door de over-
heid vormt het feit, dat de wetgever middels de voorwaarden voor erkenning
of bekostiging de grondwettelijk gewaarborgde vrijheid van onderwijs aan-
tast. De overheid kan dat niet doen zonder de bijzondere instellingen de
keuze te laten tussen handhaving van hun vrijheid en een aantasting van die
vrijheid. Bij elke verdere aantasting van de vrijheid behoort de overheid, c.q.
de wetgever de bijzondere instelHngen opnieuw de keuze te laten, ditmaal
tussen handhaving van de wettelijke status quo en een verdere aantasting van
de vrijheid. De wetgever heeft die weg niet bewandeld, omdat daardoor de
wet onhanteerbaar zou zijn geworden. In plaats daarvan heeft de overheid
gekozen voor overleg met de bijzondere instelHngen over elke verdere aan-
tasting van de onderwijsvrijheid door middel van nieuwe of veranderde voor-
waarden. In laatste instantie blijkt de vrijwilligheid uit het voorwaardelijke
niet-rechtstreeks bindende karakter van de wettelijke regehng van de
erkenning en de bekostiging.
Bij het overleg over de voorwaarden voor bekostiging zijn de bijzondere
instellingen in tweeërlei opzicht belangrijk gesterkt. Een factor van niet te
onderschatten betekenis is altijd geweest het gewicht van de politieke achter-
ban. Vóór de tweede wereldoorlog was de politieke steun voor het bijzonder
onderwijs vrij incidenteel en niet steeds voldoende krachtig. Mannen als
Kuyper, Colijn en Moller hebben niettemin belangrijke politieke steun ver-
leend. Na de oorlog zijn in het politieke leven over het algemeen meer
mensen bereid geweest om openlijk en met grote inzet voor de belangen van
één of meer bijzondere universiteiten of hogescholen op te komen. Te
denken valt in het bijzonder aan Terpstra, Schouten en Donner sr., die naast
hun functies in het openbare leven ook zitting hadden in de besturende
colleges van de VU; van katholieke zijde hebben Beel, Romme en Stokman
zich bij herhaling opgeworpen als verdedigers en voorstanders van het
bijzonder wetenschappelijk onderwijs.
Een tweede factor van betekenis was een kentering in de positie van de
bijzondere instellingen zelf. Terwijl vóór de tweede wereldoorlog de vier
bijzondere instellingen nog in de situatie verkeerden, dat zij uit een oogpunt
van onderwijsbehoefte bepaald niet onmisbaar waren, groeide na de oorlog
de vraag naar opleidingsplaatsen zo snel, dat de openbare instellingen alleen
en spoedig ook de openbare en bijzondere instellingen samen niet meer aan
de vraag naar onder meer medisch wetenschappelijk onderwijs konden vol-
doen: plaatsingscommisses en later zelfs de numerus fixus werden een feit.^'''
De bijdrage, die de bijzondere instellingen leverden bij de opvang van onder-
wijsvragenden, werd voor de overheid onmisbaar.
Deze beide factoren hebben de positie, waarin de bijzondere instellingen
bij hun overleg met de overheid over de formulering en aanvaarding van
nieuwe, aanvullende bekostigingsvoorwaarden verkeerden, zozeer versterkt,
dat zij de overheid vrijwel op voet van gelijkheid tegemoet konden treden.
Zij konden het zich veroorloven het met de overheid niet eens te worden,
371. Ziepar. II.6.
161
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's