De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 201
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
wetenschap in universitair verband, de academische vrijheid in de ruimste zin
van het woord'/'*
De verschillende, met het onderwijs verband houdende vrijheden zijn nu in
zoverre geordend, dat valt te onderscheiden tussen de vrijheden van de
onderwijsvragenden, die nagenoeg geen wettelijke erkenning genieten; de vrij-
heid van onderwijs, die grondwettelijk werd gewaarborgd; en de vrijheid van
de wetenschap, die met name voor wat betreft het openbaar wetenschappe-
lijk onderwijs door de wetgever alleen impliciet werd erkend. Van deze vrij-
heidsrechten betreffen zowel de vrijheid van onderwijs als de vrijheid van de
wetenschap het geven van wetenschappelijk onderwijs. Dit verklaart waarom
de vrijheid van onderwijs voor wat betreft het bijzonder wetenschappelijk
onderwijs de vrijheid van de wetenschap voor een deel omvat.
IV.2. De vrijheid van onderwijs
IV.2.1. Art. 208 van de Grondwet en zijn beperkingen
De vrijheid van onderwijs is niet langer een fel omstreden grondrecht, maar
blijft niettemin een teer punt in ons staatsbestel. Over het algemeen tonen de
bewindslieden van Onderwijs en Wetenschappen zich uiterst terughoudend
waar het de vrijheid van onderwijs betreft. In 1972 kreeg minister Veringa
heftige kritiek te verduren vanwege de snelheid, waarmee hij het onderwijs-
artikel in de Grondwet gewijzigd trachtte te krijgen;'^ in 1976 leed een
regeringsvoorstel om het onderwijsartikel in het kader van de algehele grond-
wetsherziening aan de behoeften des tijds aan te passen schipbreuk.^^ Dit ver-
klaart, waarom het onderwijsartikel sedert 1848 slechts één keer — in 1917
in verband met de bekostiging van het bijzonder onderwijs — ingrijpend is
gewijzigd.'''
De vrijheid van onderwijs kent een aantal beperkingen. In de eerste plaats
de grondwettelijke beperkingen. De grondwetgever heeft een spaarzamelijk
gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om de onderwijsvrijheid te beperken.
Van 1848 af hebben ten aanzien van dit grondrecht slechts twee beperkingen
gegolden, namelijk de bevoegdheid van de overheid om toezicht te houden
op al het onderwijs en de bevoegdheid om een onderzoek in te stellen naar
de bekwaamheid en zedelijkheid'^ van onderwijzers. De Grondwet bepaalt,
dat de beide bevoegdheden nader bij de wet moeten worden geregeld.
Het toezicht op de verschillende vormen van bijzonder onderwijs is inder-
14. Aldus Aniens, blz. 9; vgl. De Ranitz, blz. 37.
15. Vooral de Eerste Kamer uitte ernstige kritiek. Zie Bijlagen bij de Handelingen II
1970-1971, no. 11051; Handelingen H 1970-1971, blzz. 2788-2801, 2835,
2908-2909; I, blzz. 823-828, 840-843; Stb. 1971, no. 109. In tweede termijn: Bijlagen
bij de Handelingen II 1971 -1972, no. 11310; wet van 10 februari 1972, Stb. 106.
16. Bijlagen bij de Handelingen II 1975-1976, no. 13874.
17. Zie par. in.2.2. en III.2.3. .
18. In het voorstel tot grondwetswijziging van 1976 werd medegedeeld, dat aanvanke-
lijk was overwogen om deze beide termen te vervangen door het woord 'geschiktheid'; op
advies van de Raad van State is daarvan afgezien. Zie Bijlagen bij de Handelingen II
1975-1976, no. 13874, nr. 1 blzz. 5, 6 en 12.
189
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's