De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 89
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
wijs moeilijk te peilen is - , voor bekostiging in aanmerking zouden kunnen
komen, dan zou het voldoende geweest zijn om te bepalen, dat het bezit van
wel in het besef, dat de kwaliteit van het bijzonder wetenschappelijk onder-
de effectus civilis door een bijzondere instelling de enige eis van deugdelijkr
heid is. De wetgever is die weg niet gegaan, maar heeft in plaats daarvan
duidelijk onderscheiden tussen het instrumentarium, dat behoort bij de aan-
wijzing en bij de bekostiging, en heeft derhalve iedere afzonderlijke voor-
waarde voor erkenning tevens tot een eis van deugdelijkheid gemaakt. Nu
sedert 1948 ook de bekostiging van het bijzonder wetenschappelijk onder-
wijs wettelijk is geregeld en dus lid 5 van het onderwijsartikel uit de Grond-
wet ook op deze vorm van bijzonder onderwijs van toepassing is, heeft de
wet WO de term 'voorwaarden voor erkenning en bekostiging, waaraan ter
waarborging van de deugdelijkheid ten minste moet worden voldaan' geïntro-
duceerd. Ih dit hoofdstuk is alleen het aspect van de erkenning aan de orde;
in het volgende hoofdstuk zal de bekostiging worden behandeld.
II.5.4. Overige bijzondere universiteiten, hogescholen en andere bijzondere
instellingen van wetenschappelijk onderwijs
De HO-wet maakte aanvankelijk slechts onderscheid tussen openbare en
bijzondere universiteiten en later ook hogescholen. Sedert 1905 werd de
mogelijkheid geopend om de bijzondere instellingen te erkennen, terwijl zij
na 1948 bovendien bekostigd konden worden uit de openbare kas. De wet-
gever van 1960 kwam tot een andere opzet van de wet WO. Om te beginnen
werd in deze wet onderscheid gemaakt tussen 'de universiteiten en hoge-
scholen''"'* en de 'andere instellingen van wetenschappelijk onderwijs'.''^
Van de oprichting van deze laatsten moest, volgens de bepalingen van de
wet WO, kennis worden gegeven aan de minister onder overlegging van een
aantal documenten. Op deze instellingen werd alleen de verphchting gelegd
om jaarlijks vóór 1 november de minister een verslag over het afgelopen
studiejaar te zenden. Sinds 1960 is een aantal van dergelijke instellingen
— zowel bonafide als malafide — tot stand gekomen.'"'*
De universiteiten en hogescholen werden door de wet WO weer onderver-
deeld in de 'geheel of ten dele uit de openbare kas bekostigde universiteiten
en hogescholen'''" en de 'noch geheel, noch ten dele uit de openbare kas
bekostigde universiteiten en hogescholen en de bijzondere leerstoelen en lec-
toraten'.'^ De wettelijke regeling van deze bijzondere instellingen en leer-
stoelen kwam in grote lijnen overeen met de bepalingen van de wet-Kuyper,
zoals deze na 1905 de aanwijzing van bijzondere universiteiten en later ook
hogescholen had geregeld.
Krachtens de bepalingen van de wet WO zouden de besturen van een instel-
176. TitelIII wetWO.
177. Titel I, artt. 144-145 wet WO.
178. Dpor deze instellingen van wetenschappelijk onderwijs toegekende wetenschappe-
lijke titels mogen op straffe van een boete in Nederland niet worden gevoerd; zie artt. 146
en 151 wet WO, f art. 435 sub 3 wetboek van Strafrecht.
179. Artt. 15—117; het opschrift van deze afdeling luidt thans: 'de uit 's rijks kas bekos-
tigde universiteiten en hogescholen'.
180. Titel III, Afdeling II, artt. 118-143 wet WO.
79
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's