De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 69
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
siteit van uitging, een tegemoetkoming in de kosten van de voorziening van
onderwijslokalen worden verleend van ten hoogste f 100.000,— over een
periode van 25 jaar.** In de laatste plaats kon jaarlijks aan ten hoogste tien
'onvermogende studenten' uit 's Rijks kas een studiebeurs van f 500,—
worden verleend.
II. 3. De aanwijzing en de vrijheid van onderwijs
II.3.1. Beperking van grondrechten
Wij constateerden reeds, dat de toekenning van de effectus civilis aan het
bijzonder hoger onderwijs niet rechtens voortvloeit uit de erkenning door de
grondwetgever van de vrijheid van onderwijs, maar dat de toekenning daar-
van wel een eis van billijkheid is.*^ In 1905 is aan die eis voldaan en is wette-
lijk de mogelijkheid van aanwijzing van bijzondere universiteiten geschapen.
Dit is evenwel geschied onder het stellen van voorwaarden, die ten dele de
grondwettelijke vrijheid van deze instellingen beperkten. Terecht stelde De
Savornin Lohman, dat de wet-Kuyper niet als een stap in de richting van
meerdere vrijmaking van het bijzonder onderwijs kon worden beschouwd.*^
De vraag is of de wetgever tot beperking van de vrijheid van onderwijs wel
bevoegd was; anders gezegd: mag een door de grondwetgever verleende vrij-
heid van onderwijs door andere organen dan door dit hoogste wetgevend
orgaan worden beperkt en zo ja, in hoeverre?
De grondwetgever van 1848 beperkte de vrijheid van het bijzonder hoger
onderwijs alleen door te bepalen, dat dit onderwijs onder een bij de wet te
regelen overheidstoezicht zou staan.*'* Daarmee is echter nog niet gezegd, dat
de vrijheid van het hoger onderwijs voor het overige in het geheel niet aange-
tast zou kunnen worden. Menigmaal is het 'algemeen belang' aangeduid als
de wal, die het schip van de individuele vrijheid keert;*^ de commissie Cals/
Donner meent, dat de uitoefening van de grondrechten binnen de grenzen
dient te blijven, welke door de algemeen in de samenleving geldende rechts-
regels zijn getrokken.** Ook de uitoefening van het grondrecht van de vrij-
heid van onderwijs door het hoger onderwijs is zo ingebed in het maatschap-
pelijk bestel, in de actuele cultuursituatie, dat het zelfs met inachtneming
van de in de Grondwet vermelde beperking van het overheidstoezicht niet
een overigens absolute bescherming tegen overheidsingrijpen biedt. Er zijn
verdere beperkingen van die vrijheid.
81. Zie hoofdstuk III hierna.
82. Zie blz. 42.
83. HandeUngen II 1903-1904, blzz. 1329-1377.
84. Zie par. 1.5.3.
85. Vgl. prof. mr. J. van der Hoeven: 'De waarde van de Grondwet', 1962, blz. 23; Pre-
advies, Handelingen van de Vereniging voor Wijsbegeerte des Rechts, XLV (eerste gedeel-
te). Hij acht de gesignaleerde gedachte niet bevredigend, omdat zij onvoldoende aandacht
schenkt aan de omstandigheid, dat de grondrechten vooral het product zijn van de actuele
cultuursituatie.
86. Tweede Rapport, blzz. 45—46; zie ook hiervoor blz. 23. Vgl. de Proeve van een
nieuwe Grondwet', blzz. 52—54.
59
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's