De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 196
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
bureau; geregeld werden taak, bevoegdheid, samenstelling, benoeming en
werkwijze van beide organen als ook de openbaarheid van het voorgestelde
planningsysteem.
Het ontwerp-De Brauw had, anders dan de in 1960 omstreden bepalingen
van de wet WO niet betrekking op het financiële beheer van universiteiten en
hogescholen, maar veeleer op een planning van onderwijs en onderzoek. De
bepalingen van het ontwerp zouden - eenmaal wet geworden — moeten
gelden als 'voorwaarde voor bekostiging voor de bijzondere insteUingen van
postsecundair onderwijs'."'' Tegen deze bepaling werd, anders dan men wel-
Hcht geneigd zou zijn te vermoeden, van de zijde van het bijzonder onderwijs
maar weinig bezwaar gemaakt. Alleen de VU verhief zijn stem. 'Het wordt de
laatste jaren steeds meer gebruikelijk alle regelingen voor de openbare in-
stellingen via de wet (als) een subsidievoorwaarde ook aan de bijzondere in-
stellingen op te leggen. Er vindt op deze wijze een uitholling van het bijzon-
der karakter der bijzondere instelhngen plaats'. ^ Terecht uitte de VU deze
kritiek, want meer dan enig voorgaand wetsontwerp dreigde dit wetsontwerp
één van de peilers van de vrijheid van het bijzonder wetenschappelijk onder-
wijs aan te tasten: de vrijheid van inrichting van het onderwijs.
Door verschillende oorzaken heeft het ontwerp-De Brauw het staatsblad
nooit gehaald. Wel is sedertdien een wetsontwerp tot insteUing van een
Onderwijsplanbureau door de beide Kamers van de Staten-Generaal aan-
vaard.'"^ Dit bureau krijgt tot taak het samenstellen van prognoses met be-
trekking tot de kwantitatieve gevolgen van ontwikkelingen en vernieuwingen
in het onderwijs, het verzamelen en bewerken van kwantitatieve gegevens
over het onderwijs in Nederland en voor zover nodig ook met betrekking tot
het onderwijs in andere landen.
Het onderwijsplanbureau heeft geen bijzondere bevoegdheden verkregen.
Uit de wet tot instelling van het Onderwijsplanbureau vloeien voor het
bijzonder onderwijs dan ook geen voorwaarden voor erkenning of bekosti-
ging voort. Niettemin heeft senator Van Hulst er bij de behandeling van dit
wetsontwerp door de Eerste Kamer op gewezen, dat ook het onderwijsplan-
bureau nooit volledig objectief zal kunnen zijn. Als gevolg daarvan zouden de
grenzen tussen kwantificerende en kwalificerende activiteiten kunnen ver-
vagen. Zulks onder meer tot mogelijke schade van het bijzonder onderwijs.
Uit dien hoofde stemde hij tegen het ontwerp.'"^
ni.l0.2Z'e collegegeldwetgeving
Op voorstel van minister De Brauw werd in 1972 het collegegeld van f200
per jaar op f 1.000 gebracht.'"^ Nadat heftige protest- en boycotacties van
499. Art. 2 van het voorontwerp.
500. Bneven van de VU aan de minister en aan de Academische Raad dd. 29 september
1972.
501. Bijlagen bij de Handelingen II 1974-1975, no. 13.740. De werkzaamheden van
het onderwijsplanbureau strekken zich ook uit tot het wetenschappelijk onderwijs.
502. Op 28 maart 1978 werd het ontwerp door de Eerste Kamer aanvaard; Handelin-
gen I 1977-1978, blz. 197.
503. Wet van 6juh 1972, Stb. 357.
184
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's