De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 19
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
tegen het gevoerde onderwijsbeleid. In 1829 besloot hij daarom tot het
instellen van een bevredigingscommissie.* Nog eer de commissie hem
rapport uitbracht besloot hij echter — als onderdeel van onderhandelingen
met de paus over een concordaat*' — om de tweejarige theologische cursus
aan het Collegium Philosophicum facultatief te stellen; tegelijk besloot hij de
bisschoppelijke seminaries nog verder in hun vrijheid te beperken,*^ Dit laat-
ste besluit werd tot grote voldoening van de katholieken weer spoedig onge-
daan gemaakt. ^^
Op 6 oktober 1829 bracht de bevredigingscommissie een rapport uit be-
staande uit een ontwerp van wet met bijbehorende toelichting.*'* Het rapport
had betrekking op het gehele onderwijs: publiek en bijzonder; lager, middel-
baar en hoger. In het rapport werd voorgesteld het huisonderwijs aan geen
regel of voorwaarde te binden, maar het openbaar onderwijs, van welke aard
ook, gegeven op pubUeke en bijzondere scholen, aan het oppertoezicht des
konings te onderwerpen. 'De woorden "van welken aard ook" hebben ten
doel aan te geven, dat niet alleen het gewone maatschappelijk onderwijs,
maar ook het leerstellig godsdienstonderwijs aan het toezicht der regeering
onderworpen is'.*^
De vrijheid, die het wetsontwerp aan het hoger onderwijs zou laten, over-
trof die van het lager en middelbaar onderwijs aanzienlijk. Bijzondere univer-
siteiten zouden zonder goedkeuring van de overheid kunnen worden opge-
richt, mits was voldaan aan een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden
hadden voornamelijk ten doel te waarborgen, dat het onderwijzend personeel
voldoende bekwaam zou zijn om te onderwijzen; anders dan bij het lager en
middelbaar onderwijs zou het overleggen van een bewijs van goede zeden van
de docenten hier niet worden gevorderd, omdat het onwaarschijnlijk werd
geacht, dat zij bij erkende slechte zeden enige bijval zouden vinden of leerlin-
gen bekomen! Het onderwijsprogramma zou aan de overheid moeten worden
medegedeeld, evenals de wijzigingen daarvan.**
Verschillende invloedrijke personen en colleges lieten hun licht over het
wetsontwerp schijnen. Groen van Prinsterer, kabinetssecretaris van de Koning,
meende bijvoorbeeld, dat het commissie-ontwerp met zijn volledige regeling
van het onderwijs — het ontwerp telde maar 78 artikelen! — te uitvoerig was
en dat slechts behoefte bestond aan een korte beginselenwet, waarin aller-
eerst een duidelijke scheiding tussen publieke en bijzondere scholen zou
worden aangebracht. Vervolgens zou dan bepaald moeten worden, 'dat al
60. De commissie had in de eerste plaats de ineenschakeling van het gehele onderwijs in
één wetsontwerp tot taak; KB van 30 juni 1829, no. 125. De Nooy heeft zeer uitvoerig
aan de commissie en haar rapportage aandacht besteed, blzz. 85—106.
61. Vgl. Scholten, blz. 46.
62. Beide KB's dateren van 20 juni 1829.
63. KB van 2 oktober 1829, no. 66; vgl. De Nooy, blz. 93.
64. Als bijlage opgenomen bij De Nooy, blzz. 222—276.
65. Aldus De Nooy, blz. 94.
66. De Nooy, blz. 100, constateert terecht, dat wanneer het commissie-ontwerp tot wet
zou zijn verheven de stichting van de Vrije Universiteit allang vóór 1876 mogelijk geweest
zou zijn.
9
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's