De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 23
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
vrijheid werd gevraagd en met welk doel, noch over de vraag, welke de
inhoud van die vrijheid zou moeten zijn.
1.4.1. Vrijheid van onderwijs voor wie?
De vrijheid van onderwijs is met zeer uiteenlopende oogmerken gevraagd. In
hoofdzaak zijn drie stromingen te onderscheiden. De eerste stroming zag het
geven van onderwijs voornamelijk als de uitoefening van een beroep; in deze
opvatting, waarvan de belangrijkste verdedigers Van der Palm en Thorbecke
zijn geweest, was de vrijheid van onderwijs onderdeel van de vrijheid van
beroepskeuze.'* Zo achtte Thorbecke een verzoek om onderwijsvrijheid
alleen dan gemotiveerd, 'wanneer men overtuigd is, dat de werkzaamheid der
particuheren, aan zich zelven overgelaten, doelmatiger in deze groote volks-
aangelegenheid kan voorzien, dan door de regering geschied is'.^^ De onder-
wijsvrijheid is aldus een utiliteitskwestie ;'^ het doel van de vrijheid van
onderwijs is om langs de weg van vrije concurrentie tussen openbaar en
bijzonder onderwijs te komen tot de meest doelmatige inrichting van het
onderwijs. Thorbecke vroeg de vrijheid uitsluitend ten behoeve van de be-
roepsoefenaren ; daarentegen achtte hij het een bekrompen leer om op grond
van het onderrecht een volledige vrijheid in te roepen.^'' Scholten heeft dan
ook geconcludeerd, 'dat geen plaats (is) aan te wijzen, waarin Thorbecke aan
ouders, die voor hun kinderen andersoortig onderwijs als het Staatsonderwijs
begeeren, het recht toekent, scholen op te richten, waar onderwijs wordt
gegeven overeenkomstig eigen opvatting'.^
Een tweede opvatting omtrent de vrijheid van onderwijs werd met name in
katholieke kring gehuldigd en kwam er op neer, dat deze vrijheid aan de kerk
zou moeten toevallen. Van Sasse van Ysselt verdedigde dit standpunt naar
aanleiding van de decreten van 1825 tot opheffing van de klein-seminaries en
de instelling van het Collegium Philosophicum.^* De protestants-rationaHs-
tische tint van het onderwijs in de geloofsleer op de gemengde staatsschool
werd 'om hare eenzijdige voorstelling meer schadelijk dan nuttig' geacht.
Daarom ook pleitten de beide kathoheke leden van de onderwijscommissie
1840 — Van Wijckerslooth en Van Hugenpoth - opnieuw voor de verlening
van de vrijheid van onderwijs aan de R.K.-kerk.'''
In feite stonden de opvattingen van Thorbecke en Van der Palm enerzijds
en van de katholieken ter andere zijde niet zo ver van elkaar af, omdat de
R.K.-kerk de onderwijsvrijheid vooral voor zich opeiste om zorg te kunnen
dragen voor het geven van katholiek ondervnjs. In beide opvattingen stond
dus het geven van onderwijs voorop. Het principiële verschil is echter, dat
terwijl de beide eersten het geven van onderwijs uitsluitend zagen als een
91.Zieblz. 1.
92. Zie zijn: 'Over het Bestuur', blz. 5.
93. Vgl. Scholten, blz. 84.
94. Zie 'Over het Bestuur'.
95,T.a.p. blz. 149.
96. Vgl. Witlox, deel I blzz. 157 e.v.
97. Zie Witlox, deel II blzz. 42-52.
13
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's