De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 50
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
grondvi'ettig voorschrift, in vergelijking (tot het openbaar onderwijs) als bij-
zaak is te beschouwen'.^'''
Buiten de Staten-Generaal was het Buijs, die de opvatting vertolkte, dat het
ontbreken van ieder toezicht op het bijzonder hoger onderwijs een misken-
ning van de Grondwet betekende.^'* Milder was het oordeel van Hubrecht,
die slechts vaststelt, 'dat het toezigt op het bijzonder hooger onderwijs
weinig betekent'.^'' Naar zijn oordeel — dat werd gedeeld door onder andere
Kuyper^*" ~ zouden zowel de wettelijk voorgeschreven overlegging van regle-
menten en statuten bij de oprichting van bijzondere instellingen van hoger
onderwijs^*' als de erkenning door de overheid van verenigingen, die zich de
stichting van dergelijke instelhngen ten doel stelden, zijn te beschouwen als
een vorm van het door de grondwetgever bedoelde toezicht. Dit oordeel lijkt
evenwel niet houdbaar.
Om te beginnen draagt het door Hubrecht bedoelde toezicht een uitslui-
tend preventief karakter, tervidjl het door Buijs en de grondwetgever bedoel-
de toezicht vooral tot doel had om misbruiken van de vrijheid van onderwijs
te weren en derhalve repressief van opzet zou moeten zijn. Zo had het toe-
zicht op het bijzonder lager onderwijs een duidehjk repressief karakter.^"
In de tweede plaats moet worden vastgesteld, dat de erkenning van vereni-
gingen door de overheid niet is bedoeld als een vorm van toezicht op het
bijzonder onderwijs als zodanig. Tegelijk met de vrijheid van onderwijs er-
kende de Grondwet in 1848 het recht van vereniging, dat nader werd ge-
regeld in de Wet tot regeling en beperking der uitoefening van het recht van
vereniging en vergadering.^*"* Deze wet bepaalde, dat alleen verenigingen, die
strijdig zijn met de openbare orde, verboden zijn; de erkenning van een ver-
eniging kon slechts worden geweigerd op gronden ontleend aan het algemeen
belang.^*'' Ten onrechte verbond Kuyper aan de erkenning van de Vereeni-
ging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag^*' de conclusie,
dat de overheid door 'art. 6 goed te keuren, alzoo officieel het recht der
Vereeniging erkent, om aan haar onderwijzers dezen titel van hoogleraar te
verlenen'.^** Op dit standpunt is Kuyper later teruggekomen^*'' met zijn er-
257. Zie het Voorlopig Verslag van de Eerste Kamer, Bijlagen bij de Handelingen I
1875-1876, no. 97.
258. T.a.p. blz. 777.
259. 'Onderwijswetten', afd. I deel II, blzz. 97-99.
260. Zij het impüciet, zie dr. A. Kuyper: 'Strikt genomen', 1880.
261. Art. 99 HO-wet.
262. Zie paragraaf 1.6.2.
263. Wet van 22 aprU 1855, Stb. 32.
264. Artt. 2 en 7 van de Wet van 22 april 1855.
265. KB van 12 februari 1879, no. 23.
266. 'Strikt genomen', blz. 28. Op gelijke gronden meende Kuyper, dat bijzondere in-
stellingen van hoger onderwijs zich 'universiteit' mogen noemen; t.a.p. blz. 30.
267. Als minister zei Kuyper: 'Nu weet ik wel, dat die goedkeuring ook niet inhoudt
een goedkeuring van de inrichting als zoodanig, maar wel, dat wat in de statuten staat,
niet in strijd is met de wet want anders zou er geen Koninklijke goedkeuring zijn ver-
kregen'; Handelingen II 1903-1904, blz. 1360 r.k.
40
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's