Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 47

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 47

Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam

3 minuten leestijd

lingen na verkregen goedkeuring ook bij uiterste wilsbeschikking zouden

kunnen worden gesticht.^^^

Als voorwaarde voor oprichting van een bijzondere instelhng gold, dat daar-

van onder overlegging van de reglementen en statuten kennis moest worden

gegeven aan het bestuur van de gemeente van vestiging en aan de minister van

Binnenlandse Zaken. Alleen in het tweede ontwerp-Heemskerk werd een

kennisgeving aan beide verlangd, in alle eerdere ontwerpen werd een kennis-

geving aan één van deze beide voldoende geacht. Op een verzuim van kennis-

geving werd een boete van f25,— gesteld.^^^ Een laatste eis, die overigens

ook alleen in het tweede ontwerp-Heemskerk werd gesteld, was dat jaarlijks

een beredeneerd verslag omtrent de toestand van de school bij het bestuur

van de gemeente van vestiging moest worden ingediend zomede een berede-

neerd verslag over het afgelopen studiejaar bij de minister.^^'

De HO-wet wijdde slechts vier bepalingen aan het bijzonder hoger onder-

wijs.^'"' Die bepalingen hadden vrijwel uitsluitend betrekking op de inrichting

van en de verslaggeving over bijzondere instellingen van hoger onderwijs. De

wet het daarmee de kern van het grondrecht van de vrijheid van onderwijs

— het geven van onderwijs zelf — volkomen ongemoeid en bond alleen de

vrijheid van schoolstichting aan enkele voorwaarden.^'** Die'regeling van de

vrijheid van schoolstichting^'*^ accentueerde het onderscheid tussen openbaar

en bijzonder onderwijs.

Op grond van de wet zouden voortaan bijzondere instellingen zowel

kunnen worden ingericht door natuurlijke personen als door rechtspersonen.

De wetgever gaf er aldus blijk van te onderkennen, dat de vrijheid van onder-

wijs als een grondrecht van uitsluitend individuele personen geen werkelijke

betekenis heeft, maar die pas verkrijgt door deze vrijheid ook aan groepen

van personen toe te kennen. Niet vergeten mag worden, dat de vrijheid van

onderwijs haar verankering in de Grondwet niet dankt aan het optreden van

individuele staatsburgers, maar veeleer aan de oppositie van grote delen van

de bevolking tegen het door de regering gevoerde onderwijsbeleid. Daar komt

nog bij, dat gedurende lange tijd omstreden was ten behoeve van wde de vrij-

heid van onderwijs werd gevorderd; ten behoeve van de onderwijsgevenden,

van de kerkgenootschappen of van de ouders.^'*^ Het uitgangspunt van de

237. Artt. 99 en 100 HO-wet; zie De Geer van Jutfaas, blzz. 314-316.

238. Art. 102 HO-wet. Bij de debatten over dit artikel rees de vraag wanneer nu sprake

is van het geven van hoger onderwijs alleen en wanneer van het oprichten van een school.

Minister Heemskerk zag 'de intentie der oprigters, door uiterlijke daden gebleken' als

maatstaf; ygl. De Geer van Jutfaas, blz. 317.

239. Art. 101 HO-wet. Dit artikel vond zijn grondslag in art. 194 lid 4 Grondwet 1848,

dat het jaarlijks uitbrengen van een onderwijsverslag door de regering aan de Staten-

Generaal voorschreef. In dit Ud werd geen onderscheid gemaakt tussen openbaar en bij-

zonder onderwijs; zie ook hiervoor blz. 17, par. 1.5.1.

240. Titel Hl, artt. 103—107 waren gewijd aan het kerkelijk hoger onderwijs; zie para-

graaf 1.7.5.

241. Zo bleef het huisonderwijs in de HO-wet geheel buiten beschouwing. Vgl. De Geer

van Jutfaas blzz. 49—50. Hij wijst erop, dat zelfs vreemdelingen voor het geven van huis-

onderwijs geen vergunning nodig hadden. In eerdere ontwerpen was die eis nog wel gesteld.

242. Zie hiervoor par. 1.4.3.

243. Zie hiervoor par. 1.4.2.

37

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 47

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's