De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 221
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
om een instelling te bezoeken van de richting, waaraan zij zelf de voorkeur
geven.
Geheel in dezelfde lijn heeft ook de Hoge Raad zich uitgesproken in een
arrest, waarbij de rechtsverhouding tussen een bijzondere lagere school en
een aldaar ingeschreven leerhng met zijn ouders aan de orde kwam.^'^ Het
ging daarbij om de vraag of de betreffende katholieke lagere school bevoegd
was om leerlingen van school te verwijderen, wier ouders weigerden hen aan
de godsdienstlessen te laten deelnemen, omdat zij tegen de inhoud of
strekking daarvan als (naar hun eigen woorden) 'andersdenkende Katho-
heken' overwegende bezwaren koesterden. De rechter overwoog in deze, 'dat
ook bij een radicale koerswijziging van het godsdienstonderwijs (...) de
Stichting niet verplicht was om leerlingen die op grond van die wijziging
weigerden nog langer de godsdienstlessen te volgen, tot de school te blijven
toelaten, nu in de gemeente ook een openbare school in stand werd gehou-
den; dat daarbij nog opmerking verdient dat niet gesteld is dat bedoelde
koerswijziging in strijd zou zijn met de statuten van de Stichting'.
Het belang van deze uitspraak is, dat de rechter aldus heeft bevestigd, dat
niet zij, die het onderwijs volgen, maar de rechtspersoon, waarvan het onder-
wijs uitgaat, de richting van het onderwijs bepaalt en deze ook binnen de
statutair gegeven ruimte mag wijzigen. M.m. geldt ook voor de medewerkers
van een bijzondere instelling, dat zij zich krachtens hun aanstelhng of be-
noeming naar de richting van de bijzondere instelling hebben te voegen. Zij
zijn vrij om al dan niet een aanstelling of benoeming aan een bijzondere
universiteit of hogeschool te aanvaarden, maar die eenmaal aanvaard
hebbende dienen zij de eigen aard van die insteUing daadwerkelijk in acht te
nemen.
Anders dan de vrijheid van onderwijs en de vrijheid tot het stichten van
scholen is de vrijheid van richting dus niet een vrijheid, die aan iedere staats-
burger toekomt. Deze vrijheid is daarentegen een afgeleide, het uitsluitend
privilege van hen, die tot het stichten of instandhouden van een bijzondere
instelling overgaan. Er is in dit opzicht geen verschil met het openbaar onder-
wijs. Ook daar berust de exclusieve bevoegdheid tot het bepalen van de rich-
ting niet bij de onderwijsinstellingen of hun organen, maar bij de stichters
van deze scholen, i.e. de overheid en met name de (grond)wetgever.
Uit de formulering van de doelstelling van de VU blijkt, dat de verwezenlij-
king daarvan wordt gerekend tot aller taak. De eigen aard van deze universi-
teit zal daarom zowel in onderwijs en onderzoek als bij alle overige activitei-
ten tot uiting moeten komen. Binnen de bijzondere instelHngen bestaat dan
ook een min of meer gezamenlijke verantwoordelijkheid van besturen, mede-
werkers en studenten om het gestelde doel te verwezenlijken en het
bijzonder karakter te handhaven. Voor de studenten vloeit deze verantwoor-
delijkheid voort uit de bewuste keuze voor, bij de docenten en verdere mede-
werkers uit de bewuste aanvaarding van een benoeming of aanstelling bij een
bijzondere universiteit of hogeschool. In laatste instantie zal echter het be-
112. HR 9 april 1976, NJ 1976 no. 409, m.n. W.F.P.
209
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's