De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 33
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
Doel van deze beperking van de vrijheid van onderwijs was derhalve om de
kwaliteit van het bijzonder onderwijs te waarborgen. Nu kan men opmerken,
dat de vestiging van het onderwijsmonopolie door de overheid een zelfde
doel had en dat de erkenning van de vrijheid van onderwijs dus kennelijk van
een geringe werkelijke betekenis was. Dit zou een miskenning van de inzet
van de schoolstrijd zijn. Niet de doelstellingen van het onderwijsbeleid van de
regering vormden de inzet van die strijd; integendeel, bij herhaling heeft
onder meer Groen van Prinsterer gezegd, dat hij wenste 'te waarderen en te
behouden al wat in ons schoolwezen (. . .) voortreffelijk is'.*''* Veeleervorm-
de de wijze, waarop de regering trachtte deze algemeen aanvaardbare doel-
stellingen te verwezenlijken, de inzet van de strijd. Vandaar ook, dat in 1848
en daarna deze eerste beperking van de vrijheid geen aanleiding tot her-
nieuwde conflicten heeft gegeven.'''^
De tweede beperking, die in art. 194 voorop staat en die het gehele bijzon-
der onderwijs raakt, geldt het toezicht van de overheid. Ook deze beperking
dankt haar ontstaan in eerste aanleg aan Thorbecke, die meende, dat onder-
wijsvrijheid het gevaar in zich bergt, dat 'het onderwijs als een wapen tegen
de regering kan worden gewend'.*''* Met deze beperking beoogde de grond-
wetgever om voorzover nodig de rechtsorde te beschermen tegen de mogelijk
kwalijke gevolgen van 'een, met de staatsbeginselen strijdig onderwijs'.*'*' Het
toezicht van de overheid op het bijzonder onderwijs heeft derhalve ten doel
om te waarborgen, dat de uitoefening van het grondrecht blijft binnen de
grenzen, die door de algemeen in de samenleving geldende rechtsregels zijn
getrokken.*^" Men zou kunnen menen, dat een toezicht door de overheid de
vrijheid van het bijzonder onderwijs in wezen illusoir maakt. Zo kon ook de
wettelijke voorgeschreven autorisatie tot het oprichten van bijzondere
scholen vóór 1842 worden gezien als een vorm van overheidstoezicht. Uit de
wordingsgeschiedenis van art. 194 blijkt echter genoegzaam, dat aan de
grondwetgever een soortgelijk preventief toezicht niet voor ogen stond, maar
dat integendeel aan een voornamelijk repressief toezicht werd gedacht met
als hoofdzakelijk doel om misbruiken van de vrijheid van onderwijs te weren.
In het onderwijsartikel werd bepaald, dat de beide beperkingen van de
vrijheid bij de wet geregeld moesten worden. In één der additionele artike-
len*'* werd verder bepaald, dat voorstellen voor deze wettelijke regehng nog
gedurende het parlementaire jaar 1848—1849 en in ieder geval niet later dan
het daarop volgende zittingsjaar bij de Staten-Generaal zouden moeten
worden ingediend.
146. Zieblz. 11.
147. Wel heeft in 1975 het kabinet-Den Uyl overwogen de woorden 'bekwaamheid en
zedelijkheid' te vervangen door 'geschiktheid'; Bijlagen bij de Handelingen II 1975 — 1976,
no. 13874 nr. 1, blzz. 5, 6 en 12.
148. Zie 'Over het Bestuur', blzz. 9, 15, 16 en 36-38.
149. Aldus Burkens, blz. 8. Deze auteur wijst erop, dat bezien vanuit de optiek van het
grondrecht zelf het hier om een beperking met een negatief karakter gaat.
150. Vgl. Tweede rapport commissie Cals/Donner, blz. 45.
151. Art. 5 der Additionele Artikelen.
23
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's