De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 204
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
stellingen de keuze tussen aanvaarding of afwijzing van voorwaarden voor
erkenning en bekostiging sterk verschilt van het dilemma, waarvoor zij zich
geplaatst zien bij een uitbreiding of wijziging van deze voorwaarden. De
keuze gaat dan niet meer tussen het al of niet vragen van erkenning en bekos-
tiging onder inlevering van een deel van de vrijheid; het gaat nu tussen het al
dan niet opgeven van de erkenning en bekostiging onder verdere beperking
van de vrijheid. Nadrukkelijk is deze keuze tussen het al dan niet aanvragen
van erkenning en bekostiging dus een andere dan die tussen het wel of niet
opgeven van de al verworven erkenning en bekostiging. Deze andere keuze
impUceert een andere opsteOing van de bijzondere, erkende en bekostigde
instellingen tegenover een uitbreiding of wijziging van de voorwaarden voor
erkenning en bekostiging. Dit rechtvaardigt, dat tussen de overheid en de be-
trokken bijzondere instellingen overleg plaats vindt om te bepalen of en in
hoeverre voorgenomen voorwaarden voor het bijzonder onderwijs aanvaard-
baar zijn en in een redelijke verhouding staan tot een uitbreiding van de er-
kenning en bekostiging. De bijzondere instellingen^'' nemen hierdoor een
essentiële plaats in bij het wetgevingsproces.^^
I ^^ l'^ïüd met het voorgaande en met de Grondwet is de opstelling van de
I overheid bij de totstandkoming van de Collegegeldwet 1974, die voor een
\^ deel 'mede van toepassing op de bijzondere universiteiten en hogescholen' is
verklaard.^' Dit betekent een rechtstreekse en grondwettelijk ongeoorloofde
ingreep in de vrijheid van de erkende en bekostigde bijzondere instellingen;
terecht is dan ook aan het aanvankelijk voornemen van de betrokken be-
windslieden om, naar het voorbeeld van de Collegegeldwet 1974, meer wette-
lijke bepalingen rechtstreeks op de bijzondere instellingen van toepassing te
verklaren, niet tot uitvoering gekomen.
IV.2.3. 'Iets over delegatie"*^
Art. 208 van de Grondwet delegeert de nadere uitwerking van de verschillen-
de aspecten van de vrijheid van onderwijs aan de wetgever. Dat geldt zowel
voor de bij de wet te regelen beperkingen van dit grondrecht als voor de
nadere regehng van de bekostiging van de verschillende vormen van bijzonder
onderwijs. De staatscommissie Cals/Donner heeft vastgesteld, dat uit de gel-
dende tekst van de Grondwet — daaronder dus het vigerende art. 208 —
zelden met stelligheid kan worden opgemaakt of zij, de wetgever een zekere
taak toedelend, 'daarmee beoogt hem op te dragen de betreffende materie
zelf volledig te regelen, dan wel of zij hem vrijlaat het stellen van nadere
regels aan algemene maatregelen van bestuur, ministeriële verordeningen of
verordeningen van lagere besturen op te dragen of over te laten'."" In het
37. Bij het lager en middelbaar onderwijs zijn het niet de individuele instellingen, die
deze plaats innemen, maar de hen vertegenwoordigende organisaties.
38. Vgl. par. III.8.2.
39. Ziepar. III.10.2.
40. Vgl. mr. A.M. Donner: 'Iets over delegatie van wetgevende bevoegdheid', opge-
nomen in de bundel 'Uit het recht', 1971, blzz. 229 e.v.
41. Eindrapport staatscommissie, blz. 28.
192
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's