De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 131
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
hooger onderwijs worden bestreden, thans zulk een hoogte hebben bereikt,
dat het voor velen niet mogelijk is financieele bijdragen te schenken of te
bestendigen ten bate van het bijzonder universitair onderwijs. Daaruit vloeit
volgens deze leden onmiskenbaar voor den Staat de plicht voort om, zoodra
de financiën zulks enigszins mogelijk maken, door het verleenen van gelde-
lijke steun de gelegenheid te bieden aan het bijzonder universitair onderwijs
om zich naar zijn aard beter te ontwikkelen dan op het oogenbhk het geval
is'.i^i
Het valt op, dat de voorstanders van financiële steun van de overheid voor
het bijzonder hoger onderwijs zich in het geheel niet hebben beroepen op het
nieuwe onderwijsartikel in de Grondwet. Ook elders in het eindrapport van
de commissie wordt niet naar de onderwijspacificatie van 1917 verwezen. Als
gevolg daarvan is het verschijnen van het rapport van de staatscommissie niet
te beschouwen als het door Colijn aangeduide nader tijdstip, waarop ook
voor het hoger onderwijs de pacificatie zou aanbreken. ^^^
III.5. De bekostiging van het bijzonder hoger onderwijs onder de HO-wet
lll.SA.Dewet-Gielen
De Tweede Wereldoorlog bracht het openbaar hoger onderwijs in ernstige
problemen — verschillende instellingen liepen ernstige oorlogsschade op en
werden voor een deel ontmanteld — en het bijzonder hoger onderwijs raakte
aan de rand van de financiële afgrond. Met name de katholieken waren van
oordeel, dat subsidiëring van het bijzonder hoger onderwijs nu niet langer
mocht uitblijven. De na de verkiezingen in mei 1946 tot stand gekomen coa-
litie van Katholieke Volkspartij (KVP) en Partij van de Arbeid (PvdA) zou
mede zijn gebaseerd op de afspraak, dat de KVP het beleid ten aanzien van
het toenmalig Nederlands-Indië zou gedogen, wanneer de PvdA zou mee-
werken aan de totstandkoming van een wettelijke subsidieregeling voor het
bijzonder hoger onderwijs.'^^ Reeds in de troonrede van juli 1946'^''deelde
de Koningin mede, dat voorstellen 'tot verbetering van de financiële verhou-
ding ten aanzien van het Bijzonder Hoger Onderwijs' de Staten-Generaal
spoedig zouden bereiken. Met de voorbereiding van die voorstellen werd
minister Gielen belast, die daartoe de Nijmeegse, later Leidse hoogleraar
Sassen''^ aan zijn departement verbond.
151. Eindrapport blz. 68.
152. Door zijn benoeming tot minister werd Colijn als voorzitter van de staatscommissie
vervangen. Hij werd opgevolgd door prof. dr. H.A. Lorentz. De staatscommissie bracht op
21 juni 1924 rapport uit aan de Koningin.
153. Dr. Sassen bevestigde tegenover vertegenwoordigers van de VU, dat een dergelijke
afspraak bestond.
154. De oorlogsomstandigheden leidden tot uitstel van de troonrede tot 23 juli 1946;
de laatste maal, dat Koningin Wilhelmina deze uitsprak.
155. Aanvankelijk was dr. F.L. R. Sassen een aan de KU omstreden figuur. In 1931
ontstond rond zijn persoon rumoer. Zie 'Katholieke Universiteit Nijmegen 1923—1973';
prof. dr. A.G.M, van Melsen: 'Herdenking van F.L.R. Sassen' in jaarboek KNAW 1971,
blzz. 107-113.
119
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's